Eiser en gedaagde, voormalige partners, zijn in geschil over wie eigenaar is van tijdens hun relatie aangekochte sieraden. Eiser stelt dat hij de sieraden heeft gekocht en betaald en dat deze slechts in bruikleen aan gedaagde zijn gegeven. Gedaagde betwist dit en beroept zich op het wettelijk bewijsvermoeden dat de bezitter eigenaar is.
De rechtbank overweegt dat gedaagde de sieraden feitelijk bezit en daardoor vermoedelijk eigenaar is, maar dat dit vermoeden weerlegbaar is. Eiser heeft diverse stukken ingebracht, waaronder e-mailcorrespondentie en verklaringen van derden, om zijn eigendom te onderbouwen. Gedaagde betwist deze stukken en stelt dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd.
De rechtbank oordeelt dat het bewijsvermoeden niet is verschoven en dat het aan eiser is om zijn beter recht te bewijzen. Daarom wordt eiser toegelaten om bewijs te leveren, onder meer door het horen van maximaal vijf getuigen. De zaak wordt aangehouden en zal op een later moment worden voortgezet, waarbij nader bewijs kan worden geleverd. Tot die tijd worden verdere beslissingen, waaronder over persoonlijke eigendommen en kosten, aangehouden.