Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 8 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Limburg
Partijen sloten een huurovereenkomst voor een woning die per 1 november 2023 werd beëindigd na opzegging door de huurder. Bij oplevering ontstond een geschil over de staat van de woning en de daaruit voortvloeiende schade.
De verhuurder stelde dat de woning in een onacceptabele staat was achtergelaten, ondersteund door foto’s en een inspectierapport met gebreken. De huurder erkende deels nalatigheid, maar betwistte omvang en kosten. Er was geen voorinspectie geweest en de verhuurder kon daardoor alleen aanspraak maken op vergoeding van de kosten die de huurder zelf had moeten maken.
De kantonrechter oordeelde dat de woning in erbarmelijke staat was opgeleverd en dat de schade niet exact kon worden vastgesteld. Daarom werd de schade op € 5.000,- geschat, verminderd met de borg van € 2.700,-. De huurder werd veroordeeld tot betaling van € 2.300,- plus wettelijke rente vanaf de dagvaarding. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van € 417,45 toegewezen en de proceskosten aan de verhuurder opgelegd.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van € 2.717,45 plus wettelijke rente en proceskosten wegens schade aan de woning bij oplevering.