ECLI:NL:RBLIM:2025:1451

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
17 februari 2025
Zaaknummer
11241198 CV EXPL 24-3793
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedeeltelijke hoofdsom en vernietiging onredelijk incassokostenbeding

In deze civiele procedure tussen Stichting Humankind en de gedaagde heeft de kantonrechter een tussenvonnis gevolgd waarin werd overwogen dat 75% van het totaal aan factuurbedragen toewijsbaar is. De gedaagde erkende de vordering deels, waardoor een bedrag van € 458,68 aan hoofdsom werd toegewezen. Het beding inzake buitengerechtelijke incassokosten in de algemene voorwaarden werd als oneerlijk beoordeeld en vernietigd, omdat het incassokostenbeding niet uitsloot dat kosten al verschuldigd zijn bij verzuim, wat afwijkt van artikel 6:96 BW Pro.

De kantonrechter oordeelde dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar zijn, ondanks dat de aanmaning aan de wettelijke eisen voldeed. Het contractuele rentebeding werd wel als redelijk beoordeeld en rente werd toegewezen vanaf de vervaldatums van de facturen, met een correctie van 25% vermindering van de factuurbedragen. De door Humankind berekende rente werd afgewezen wegens onjuistheid.

De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 458,68, vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van proceskosten van € 667,89, vermeerderd met kosten van betekening bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 458,68 plus wettelijke rente en proceskosten, incassokostenbeding wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11241198 CV EXPL 24-3793
Vonnis van 12 februari 2025
in de zaak van
STICHTING HUMANKIND,
te Vught,
eisende partij,
hierna te noemen: Humankind,
gemachtigde: P.M.F. Otten,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 oktober 2024
- de akte van Humankind.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

toe te wijzen hoofdsom
2.1.
In het tussenvonnis is overwogen dat de kantonrechter voornemens is van de gevorderde hoofdsom in totaal toe te wijzen (75% van € 1.407,45=) € 1.055,59. De kantonrechter overweegt dat voor “de gevorderde hoofdsom” in het tussenvonnis dient te worden gelezen het “totaal aan de aan de vordering onderliggende factuurbedragen”, nu de gevorderde hoofdsom € 810,54 betreft. Er is immers een bedrag van € 596,91 betaald.
2.1.1.
[gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid zich over de voorgenomen vernietiging uit te laten. De voorgenomen vernietiging is daarmee onweersproken. De kantonrechter zal daarmee, conform het voornemen, het oorspronkelijk totale factuurbedrag (van de drie facturen) met 25% verminderen, waarmee dit bedrag uitkomt op voormelde € 1.055,59 (waarvan € 596,91 betaald). Het bedrag dat nog openstaat is daarmee € 458,68.
2.2.
Nu de vordering door [gedaagde] bij antwoord is erkend, is € 458,68 aan hoofdsom toewijsbaar. Hetgeen meer aan hoofdsom is gevorderd, zal worden afgewezen.
beding vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
2.3.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter reeds geoordeeld dat het beding opgenomen in lid 6 van de algemene voorwaarden een oneerlijk beding is, omdat de tekst van het beding niet uitsluit dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de consument in verzuim is. Humankind is in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om het beding deswege te vernietigen. Humankind heeft bij akte hierop gereageerd. Door [gedaagde] is geen antwoordakte genomen.
2.3.1.
In hetgeen in de antwoordakte is gesteld, ziet de kantonrechter geen aanleiding om niet conform het voornemen te beslissen en het beding te vernietigen. Het beding vermeldt weliswaar dat wat betreft de hoogte wordt aangesloten bij de wettelijke regeling, maar voor wat betreft het eerst verschuldigd zijn is het beding wel anders te leggen dan het bepaalde in artikel 6:96 BW Pro. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn daarom niet toewijsbaar en zullen worden afgewezen. De omstandigheid dat de verzonden aanmaning niettemin voldoet aan de wettelijke regeling, maakt dit niet anders.
rente
2.4.
In het tussenvonnis is reeds overwogen dat het contractuele rentebeding in lid 5 geen onredelijk beding is. Nu ook geen verweer is gevoerd, is de rente toewijsbaar telkens vanaf het verstrijken van de in de drie facturen genoemde uiterste betalingsdata, met dien verstande dat de kantonrechter elk van de drie factuurbedragen met 25% heeft verminderd (naar € 432,29). Dit naast het feit dat er ten aanzien van elk van de facturen een betaling is gedaan (van respectievelijk € 127,76, € 289,24 en € 179,91). Het door Humankind berekende bedrag aan vervallen rente, is daarmee niet toewijsbaar. Er zal een nieuwe renteberekening moeten worden gemaakt. Dit is niet aan de kantonrechter. De kantonrechter zal de rente daarom toewijzen als hierna in de beslissing is neergelegd.
2.5.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om voor het nemen van de akte procespunten toe te kennen, gezien de reden voor het nemen van de akte.
De proceskosten van Humankind worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,39
- griffierecht
328,00
- salaris gemachtigde
135,00
(1 punt × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
667,89

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Humankind te betalen een bedrag van € 458,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de restantbedragen van de drie facturen, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen telkens tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 667,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.