ECLI:NL:RBLIM:2025:1459

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
17 februari 2025
Zaaknummer
11319590 CV EXPL 24-4856
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling en incassokosten wegens niet-nakoming vaststellingsovereenkomst

De eiser vordert betaling van €6.350,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 september 2024, €837,93 aan buitengerechtelijke incassokosten met rente vanaf dag van dagvaarding, en proceskosten. De vordering is gebaseerd op een vaststellingsovereenkomst waarin de gedaagde zich verplichtte uiterlijk 31 augustus 2024 te betalen.

De gedaagde heeft na twee keer uitstel geen betaling verricht en de hoofdsom niet betwist. De kantonrechter stelt vast dat de wettelijke rente en incassokosten toewijsbaar zijn en veroordeelt de gedaagde tot betaling van de gevorderde bedragen.

Daarnaast worden de proceskosten begroot op €862,83 en worden wettelijke rente en kosten van betekening bij niet-tijdige betaling opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 12 februari 2025 uitgesproken door de kantonrechter.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €6.350,00 met rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11319590 CV EXPL 24-4856
Vonnis van 12 februari 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.L.H. Holthuijsen,
tegen
[gedaagde] ,handelend onder de naam
[handelsnaam],
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het verzoek om uitstel van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
- € 6.350,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2024,
- € 837,93 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,
- de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.2.
Aan haar vordering legt [eiser] ten grondslag dat tussen partijen een (vaststellings)overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij [gedaagde] uiterlijk 31 augustus 2024 een bedrag van € 6.350,00 zou voldoen tegen finale kwijting over en weer. Nu de overeengekomen betalingstermijn is verstreken en betaling is uitgebleven, vordert [eiser] dat [gedaagde] tot nakoming zal worden veroordeeld. [eiser] heeft [gedaagde] meermaals moeten aanschrijven.

3.De beoordeling

3.1.
[gedaagde] heeft na, tot twee keer toe, verkregen uitstel niet meer geantwoord. Er is ook geen verder uitstel verleend omdat geen akkoordverklaring van [eiser] is ontvangen.
3.2.
[gedaagde] heeft de hoofdsom niet weersproken, zodat dit deel van de vordering voor toewijzing gereed ligt.
3.3.
De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt eveneens voor toewijzing gereed.
3.4.
[eiser] heeft voldoende gesteld dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt, zodat deze vordering ook zal worden toegewezen.
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
140,83
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
862,83
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
- € 6.350,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
- € 837,93 aan vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 862,83, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.
NIv