Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2025:2318

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 maart 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
C/03/338597/ KG ZA 25-40
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis kort geding over proceskosten na vaststellingsovereenkomst en schikking

In deze kort gedingprocedure hebben partijen op 27 februari 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin gedaagde zich onder meer verplichtte bepaalde berichten niet te verwijderen vóór 31 maart 2025 en zich te onthouden van beschuldigingen jegens eisers, onder dreiging van een boete. Tevens is afgesproken dat gedaagde een rectificatie op LinkedIn zou plaatsen.

Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht een oordeel te geven over de proceskosten, waarbij alle overige vorderingen zijn ingetrokken. Gedaagde voerde verweer tegen de proceskostenvergoeding.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering tot vergoeding van integrale proceskosten onvoldoende is onderbouwd, maar dat veroordeling tot betaling van proceskosten volgens het liquidatietarief passend is, mede omdat gedaagde niet bereid was voorafgaand aan de zitting aan de vorderingen tegemoet te komen. De proceskosten worden begroot op € 1.369,45, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 1.369,45 plus rente en nakosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/338597 / KG ZA 25-40
Vonnis in kort geding van 13 maart 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.M. Hoelbeek,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
zonder advocaat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 10
- de nagezonden productie 11 aan de zijde van [eisers]
- de door [gedaagde] overgelegde “conclusie van antwoord” met producties 1 tot en met 23, die door de voorzieningenrechter zijn aangemerkt als spreekaantekeningen met bijlagen,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 februari 2025 waarin een tussen partijen getroffen vaststellingsovereenkomst is opgenomen
- de pleitnota van [eisers]
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben ter zitting van 27 februari 2025 een vaststellingsovereenkomst getroffen met de volgende inhoud:
Om een einde aan deze rechtszaak te maken, hebben partijen - zonder daarmee enig standpunt te erkennen of verweer prijs te geven - de volgende afspraken gemaakt:
Gedaagde heeft de publicatie op LinkedIn als in de dagvaarding bedoeld onder 2.2 t/m 2.4 reeds verwijderd en zal deze verwijderd houden, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare boete van € 3.000,- voor iedere dag of dagdeel dat gedaagde zich niet aan deze afspraak houdt, met een maximum van € 100.000,-;
Gedaagde zal uiterlijk op 1 maart 2025 om 12.00 uur op zijn LinkedInpagina duidelijk zichtbaar een bericht plaatsen (door het bericht bovenaan de tijdlijn van zijn LinkedInpagina 'vast te pinnen'), met de volgende inhoud:
Omstreeks 30 december 2024 heb ik een bericht geplaatst op mijn LinkedInpagina. In de aanhef van dit bericht was de navolgende tekst opgenomen: "de Rechtspraak Nederlandse orde van advocaten Gerechtshof 's-Hertogenbosch Rechtbank Oost-Brabant [naam 1] Hoge Raad der Nederlanden Ministerie van Justitie en Veiligheid [naam 2] [naam 3] [naam 4] OpenbaarMinisterie Rijksrecherche."
Bij deze publicatie was een document van 23 pagina's gevoegd met als titel "er moet toch een weg naar het recht bestaan". De juistheid van de stellingen die in dit document zijn vervat, staan tot op heden niet vast. Ik realiseer mij dat het uiten van dergelijke stellingen op een openbaar toegankelijk internetplatform voorbarig is, en dat ik daarmee de door mij beschuldigde personen heb aangetast in hun eer en goede naam. Daarom heb ik voornoemd bericht verwijderd en plaats ik deze rectificatie.
welk bericht niet eerder zal worden verwijderd dan op 31 maart 2025, met daarbij de uitdrukkelijke kanttekening dat gedaagde hiermee niet erkent onrechtmatig te hebben gehandeld;
3.
Het bepaalde onder 2 in deze regeling wordt afgesproken op straffe van verbeurte van een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare boete van € 3.000,- voor iedere dag of dagdeel dat gedaagde zich niet aan deze afspraak houdt, met een maximum van € 100.000,-;
4.
Gedaagde zal zich in ieder geval tot het onherroepelijk worden van het oordeel van de tuchtrechter onthouden van enig bericht of mededeling bevattende omtrent eisers geuite beschuldigingen, zoals de beschuldigingen die in de dagvaarding en de bijbehorende producties zijn opgenomen (met name onder 2.8 van de dagvaarding), van deze of soortgelijke inhoud, en enige (andere) uiting waarbij de eer of goede naam en reputatie van eisers wordt geschaad, hetzij mondeling of schriftelijk, op internet, sociale media of welk ander (pers)medium dan ook, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare boete van € 3.000,- voor iedere dag of dagdeel dat gedaagde zich niet aan deze afspraak houdt, met een maximum van € 100.000,-;
5.
De voorzieningenrechter wordt gevraagd om een oordeel te geven over de proceskosten. Alle overige vorderingen moeten worden beschouwd als zijnde ingetrokken.
6.
Deze overeenkomst kan niet worden ontbonden of vernietigd.

3.Het geschil

3.1.
Zoals daaruit blijkt hebben [eisers] in de hiervoor opgenomen vaststellingsovereenkomst de voorzieningenrechter verzocht een oordeel te geven over de proceskosten. Alle overige vorderingen zijn ingetrokken.
3.2.
[eisers] hebben ten aanzien van de proceskosten primair gevorderd [gedaagde] te veroordelen in de integrale proceskosten welke door hen zijn gemaakt, subsidiair [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten overeenkomstig het geldende
liquidatietarief, alsmede de kosten ten behoeve van de executie van het vonnis (waaronder de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn voldaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering tot veroordeling van [gedaagde] in de integrale proceskosten is niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke veroordeling overeenkomstig het geldende liquidatietarief. Tot een veroordeling in de kosten ingevolge dat tarief ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding. Dit gelet op het feit dat [gedaagde] voorafgaand aan de behandeling van het kort geding ter zitting niet bereid is geweest om tegemoet te komen aan de vorderingen van [eisers] en in de tussen partijen getroffen vaststellingsovereenkomst de vorderingen van [eisers] overwegend zijn overgenomen.
4.2.
[gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
715,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.369,45
4.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.369,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn betaald,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Driever en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.
EvdS