Eiseres, een onderneming gespecialiseerd in het leveren en leggen van pvc-vloeren, sloot een aannemingsovereenkomst met gedaagde voor het leveren en leggen van een pvc-vloer in de woning van gedaagde's dochter. Na ontevredenheid over de vloer werd een minnelijke regeling getroffen waarbij eiseres het voorschot terugbetaalde, het openstaande bedrag crediteerde, gedaagde de vloer verwijderde en eiseres een vergoeding betaalde voor het verwijderen.
Eiseres stelde dat de minnelijke regeling vernietigd moest worden wegens bedrog omdat gedaagde niet de intentie had de vloer te verwijderen en bewijs daarvan te leveren. Gedaagde betwistte dit en stelde dat de afspraken waren nagekomen. De rechtbank oordeelde dat gedaagde partij was bij de aannemingsovereenkomst en dat de minnelijke regeling geldig was.
De rechtbank stelde vast dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd voor het bedrog en dat gedaagde de vloer daadwerkelijk had verwijderd. Hierdoor was de aannemingsovereenkomst ontbonden en kon nakoming niet meer worden gevorderd. Ook de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad werd afgewezen.
Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank concludeerde dat de minnelijke regeling bindend was en dat de vorderingen van eiseres geen stand hielden.