ECLI:NL:RBLIM:2025:2678

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 maart 2025
Publicatiedatum
21 maart 2025
Zaaknummer
NL:TZ:0000294859:B001
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot opheffing beschermingsbewind wegens minder ingrijpende alternatieven

De rechtbank Limburg behandelde op 21 maart 2025 het verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind ten behoeve van betrokkene, een jongvolwassene die volgens verzoeker, zijn vader, steeds beter zelfstandig met zijn financiën omgaat. Betrokkene ontvangt maandgeld en boodschappengeld en bespreekt grotere uitgaven met zijn vader, die ook ondersteuning blijft bieden.

De bewindvoerder, betrokkene's moeder, is het niet eens met het verzoek en stelt dat betrokkene nog niet zelfstandig zijn financiën kan beheren vanwege afhankelijkheid van PGB-zorg en het risico op fouten. De kantonrechter stelt vast dat de ouders het niet eens zijn over het beste belang van betrokkene en is niet volledig overtuigd van volledige zelfstandigheid van betrokkene.

Echter, de kantonrechter benadrukt dat de inbreuk van het bewind op het privéleven zo beperkt mogelijk moet zijn. Daarom wordt een minder ingrijpend alternatief toegestaan: betrokkene beheert zijn financiën samen met zijn vader. Dit alternatief biedt voldoende bescherming en is minder belastend dan het huidige bewind met beide ouders als bewindvoerders.

Op grond hiervan acht de rechtbank de noodzaak voor het beschermingsbewind niet langer aanwezig en wijst het verzoek tot opheffing toe, met de verplichting tot eindverantwoording door de bewindvoerders binnen twee maanden na het einde van het bewind.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind wordt toegewezen en het bewind wordt per 1 april 2025 opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer
:
NL:TZ:0000294859:B001
dossiernummer
:
BM396854
datum
:
21 maart 2025

beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind

op verzoek van de bewindvoerder:

[verzoeker] ,

wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
en:

[betrokkene] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,wonende te [adres 2] , [woonplaats] ,hierna te noemen: betrokkene.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 5 januari 2025,
- de nadere informatie, ontvangen op 29 januari 2025,
- de berichten van [naam bewindvoerder] , bewindvoerder, ontvangen op 7 februari 2025 en 12 februari 2025.
Het verzoek is mondeling behandeld op 26 februari 2025.

beoordeling

Verzoeker en betrokkene vragen om opheffing van het ten behoeve van betrokkene ingestelde bewind. Aan het verzoek wordt, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Betrokkene gaat verantwoordelijk om met zijn financiën en kan deze steeds beter zelfstandig beheren. Hij krijgt maandgeld en boodschappengeld en gaat hier goed mee om. Als betrokkene een grotere uitgave wenst te doen bespreekt hij dit eerst met verzoeker, zijn vader. Deze zal ook een vinger aan de pols blijven houden en betrokkene kan op hem terugvallen voor ondersteuning. Met de opheffing van het bewind zal betrokkene zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en vrijheid krijgen ten aanzien van zijn financiën.
De bewindvoerder [naam bewindvoerder] , moeder van betrokkene (hierna: [naam bewindvoerder] ) is het niet eens met het verzoek en van mening dat hij nog niet zelfstandig zijn financiën kan beheren. Hij is afhankelijk van PGB zorg en niet in staat om zijn financiële zaken volledig te overzien. Er zouden dan ook fouten gemaakt kunnen worden. Wanneer betrokkene zelf het beheer over zijn bankpas heeft kan hij overal op elk moment iets kopen en/of bestellen. Dat de vader van betrokkene over zijn schouder zal blijven meekijken, acht [naam bewindvoerder] onvoldoende. Dat komt neer op controle achteraf en dan is het al te laat. Betrokkene heeft nog stappen te maken naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid, zoals het zelf leren doen van boodschappen, werken en niet meer beschermd wonen.
Op grond van de wet kan een beschermingsbewind worden opgeheven als het niet meer nodig is of als voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de bewindvoerders, ouders van betrokkene, het niet met elkaar eens zijn over wat het beste zou zijn voor hun zoon. De kantonrechter is er op basis van de stukken en het verklaarde ter mondelinge behandeling niet volledig van overtuigd dat betrokkene in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen volledig zelfstandig te beheren. De inbreuk die bewind vormt op het privéleven van betrokkene dient echter zo beperkt mogelijk te worden gehouden, zo blijkt uit Europese jurisprudentie. De kantonrechter zal daarom, ondanks de aanwezigheid van een grondslag voor bewind, een minder ingrijpend alternatief moeten toestaan indien dit aanwezig is en voldoende bescherming biedt. Dat alternatief is er volgens de kantonrechter, namelijk dat betrokkene het beheer van zijn financiën samen met zijn vader gaat oppakken. Dat is minder ingrijpend dan het huidige beschermingsbewind waarbij vader en moeder bewindvoerder zijn. Gelet hierop acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de noodzaak voor het bewind niet meer aanwezig is. Het verzoek tot opheffing van het bewind zal dan ook worden toegewezen.

beslissing

De kantonrechter:
- heft het bewind over de goederen van
[betrokkene]op per 1 april 2025,
- bepaalt dat de bewindvoerders binnen twee maanden na het einde van het bewind eindrekening en -verantwoording afleggen aan betrokkene en een – zo mogelijk door betrokkene voor akkoord ondertekend – exemplaar daarvan aan het team Toezicht overleggen.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, G.C.L. van den Bosch.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.