In deze kort gedingprocedure vordert de moeder vervangende toestemming om haar minderjarige zoon met ADHD reguliere medicatie te laten gebruiken, omdat de vader zijn toestemming weigert. De vader betoogt dat het kind niet met amfetamine maar met homeopathische middelen behandeld moet worden en uit zorgen over verslavingsrisico's. De moeder baseert haar vordering op een medisch rapport van een psychiater van Max Ernst GGZ, waarin het gebruik van Methylfenidaat wordt geadviseerd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is vanwege de noodzaak van een juiste medische behandeling. De vader heeft geen deskundige of terzake doende medische argumenten aangevoerd en baseert zijn verweer op persoonlijke opvattingen en vermoedens. De diagnose ADHD/ADD en het behandeladvies zijn medisch onderbouwd en door partijen erkend, hoewel de vader dit deels betwist.
De voorzieningenrechter wijst de vordering toe en verleent de moeder vervangende toestemming om het kind via de huisarts de voorgeschreven medicatie te geven. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door voorzieningenrechter E.F.M. van Swaaij.