De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Limburg om een minderjarige onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De minderjarige verblijft momenteel bij pleegouders en weigert terug te keren naar huis vanwege een beschuldiging van seksueel misbruik door haar vader, die dit ontkent. De moeder steunt de vader, waardoor de gezinsverhoudingen ernstig verstoord zijn.
De kinderrechter hield een zitting met gesloten deuren en sprak met de minderjarige, die aangaf het prettig te vinden bij de pleegouders en instemde met de verzoeken. De ouders toonden gemengde gevoelens; zij konden instemmen met ondertoezichtstelling maar hadden bedenkingen bij de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing. De pleegouders bevestigden dat de minderjarige zich veilig voelt en open is in het pleeggezin.
De kinderrechter constateerde dat de situatie complex is en dat de beschuldiging niet kan worden vastgesteld, maar wel ernstige gevolgen heeft voor de minderjarige en haar gezin. De ouders weigeren vrijwillig noodzakelijke hulpverlening te accepteren. De kinderrechter achtte daarom een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk voor de duur van één jaar om de problematiek aan te pakken en de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen.
De machtiging tot uithuisplaatsing werd voor de volle termijn verleend, ondanks het verzoek van de ouders om een kortere termijn, omdat een kortere termijn onnodige druk zou zetten en de hulpverlening zou belemmeren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025.