ECLI:NL:RBLIM:2025:3412

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
11246726 \ CV EXPL 24-3935
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling herstelkosten vochtproblemen utiliteitsbouw

In deze civiele zaak vordert een hoofdaannemer betaling van een onderaannemer voor een derde van de herstelkosten van vochtproblemen bij een utiliteitsbouwproject. De hoofdaannemer had een overeenkomst van opdracht met een opdrachtgever en schakelde de onderaannemer in voor werkzaamheden aan een aanbouw met kelder. Na constatering van lekkages werden herstelwerkzaamheden uitgevoerd door een gespecialiseerd bedrijf, waarvan de kosten door de hoofdaannemer zijn voorgeschoten.

De hoofdaannemer stelt dat er een afspraak was dat de onderaannemer een derde van de herstelkosten zou dragen. De onderaannemer betwist zowel de gebrekkige uitvoering van zijn werkzaamheden als het bestaan van een dergelijke afspraak. Tevens is niet vast komen te staan dat de onderaannemer persoonlijk in gebreke is gesteld, aangezien communicatie via een derde verliep zonder bewijs van vertegenwoordiging.

De kantonrechter oordeelt dat de hoofdaannemer onvoldoende heeft onderbouwd dat de schade door de onderaannemer is veroorzaakt en dat er geen rechtsgeldige ingebrekestelling heeft plaatsgevonden. Ook is de vermeende afspraak niet aannemelijk gemaakt. Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt de hoofdaannemer veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van herstelkosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11246726 \ CV EXPL 24-3935
Vonnis van 9 april 2025
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [handelsnaam 1],
wonende en gevestigd te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen [eiser] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam 2],
wonende en gevestigd te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P. Winkens
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek, waarbij [eiser] zijn eis heeft vermeerderd
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft een eenmanszaak in de utiliteitsbouw.
2.2.
[gedaagde] heeft eveneens een eenmanszaak in de utiliteitsbouw.
2.3.
[eiser] heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met familie [naam] te [woonplaats 1] . Het betrof het realiseren van een aanbouw met kelder. Bij de uitvoering van deze overeenkomst van opdracht heeft [eiser] als onderaannemers [naam onderaannemer] (hierna: [naam onderaannemer] ) en [gedaagde] ingeschakeld.
2.4.
Familie [naam] heeft zich op enig moment tot [eiser] gewend omdat er vochtproblemen waren ontstaan.
2.5.
Op 10 mei 2022 is een bouwkundig onderzoek verricht door de firma Belfor. Door deze firma is geconstateerd dat er lekkageproblemen waren in de kelder.
2.6.
[eiser] heeft de firma Bedi Vochttechniek B.V. (hierna: Bedi Vochttechniek) ingeschakeld, om de eerder geconstateerde gebreken te herstellen. De herstelkosten bedroegen € 10.725,85 en zijn door [eiser] voldaan.
2.7.
[eiser] heeft [naam onderaannemer] en [gedaagde] ieder een factuur gestuurd van 33% van de kosten die gemaakt waren door Bedi Vochttechniek. [gedaagde] heeft deze claim neergelegd bij zijn verzekeringsmaatschappij, welke niet is overgegaan tot uitkering.
De gemachtigde van [gedaagde] heeft bij brief van 9 januari 2024 aangegeven dat [gedaagde] nooit door [eiser] in gebreke is gesteld en hij ook niet akkoord is gegaan met een afspraak dat hij 33% van de kosten van herstel voor zijn rekening zou nemen.
2.8.
In februari 2024 is [eiser] wederom door familie [naam] benaderd, omdat er nog steeds lekkageproblemen waren. Omdat [eiser] die problemen niet kon verhelpen, zijn de herstelwerkzaamheden uitgevoerd door Bedi Vochttechniek. De kosten die hiermee gemoeid waren, bedroegen € 9.836,32.
2.9.
Op 18 april 2024 heeft [eiser] bij brief [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de gebrekkige werkzaamheden bij familie [naam] . Ook wordt in die brief erop gewezen dat tussen partijen een afspraak is gemaakt dat zowel [eiser] , [naam onderaannemer] en [gedaagde] ieder 33% van de kosten die gemoeid zijn met de herstelwerkzaamheden zouden dragen.
2.10.
De gemachtigde van [gedaagde] betwist in diens reactie van 26 april 2024 dat de werkzaamheden door [gedaagde] niet goed zouden zijn uitgevoerd. Ook wordt betwist dat tussen [eiser] en [gedaagde] is afgesproken dat iedere partij 33% van de herstelkosten voor zijn rekening zou nemen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.718,05, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag die de kantonrechter moet beoordelen, is of [gedaagde] op goede gronden wordt aangesproken door [eiser] voor de kosten die zijn gemaakt door Bedi Vochttechniek, voor het – tot twee keer toe – verhelpen van de vochtproblemen die bij familie [naam] in Landgraaf zijn ontstaan.
4.2.
Uit de stukken blijkt dat [eiser] als hoofdaannemer een overeenkomst van opdracht had met familie [naam] voor de uitvoering van werkzaamheden. Niet ter discussie staat dat [eiser] [naam onderaannemer] en [gedaagde] heeft ingeschakeld en dat zij als onderaannemers hebben meegewerkt aan de werkzaamheden bij de familie [naam] .
Dat er sprake was van vochtproblemen, heeft [eiser] voldoende onderbouwd in deze procedure.
4.3.
Door [eiser] wordt gesteld dat de werkzaamheden die uiteindelijk tot schade hebben geleid, waren uitgevoerd door [naam onderaannemer] en [gedaagde] . Zij zouden namelijk de aanbouw inclusief kelderbak hebben geplaatst, waar later de lekkages zijn ontstaan. [gedaagde] ontkent dit. Hij stelt dat hij en [naam onderaannemer] het metselwerk diende te verzorgen. Voor zover zij al moesten zorgen voor een waterdichte kering, zijn de materialen daarvoor door [eiser] aangeleverd.
4.4.
Het ligt op de weg van [eiser] , als eisende partij, om zijn stelling – dat er schade is ontstaan in de uitvoering van de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden – te onderbouwen. Dat heeft [eiser] , gelet op het daartegen gevoerde verweer, onvoldoende onderbouwd gedaan. Daarmee kan de kantonrechter niet vaststellen dat de schade is ontstaan als gevolg van de werkzaamheden die mede door [gedaagde] zijn verricht. Dat vormt echter wel de grondslag voor de vraag of [gedaagde] aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die is ontstaan bij de familie [naam] en waarvoor [eiser] de herstelkosten heeft voldaan.
4.5.
Als de kantonrechter echter zou meegaan in het verhaal van [eiser] en bij de beoordeling ervan uit zou gaan dat [gedaagde] de vermeende werkzaamheden heeft verricht, dan is de vraag aan de orde of [gedaagde] in gebreke is gesteld. Uit de stellingen van [eiser] leidt de kantonrechter af dat dit niet is gebeurd. [eiser] heeft namelijk verklaard dat hij [naam onderaannemer] heeft geïnformeerd over de ontstane lekkages. Vervolgens is besloten om een derde partij in te schakelen voor de herstelwerkzaamheden, omdat noch [eiser] noch [naam onderaannemer] in staat zou zijn om de lekkages succesvol te verhelpen. Niet in geschil is dat [gedaagde] nooit persoonlijk in kennis is gesteld van de ontstane schade. [eiser] verklaart weliswaar dat alle contacten via [naam onderaannemer] liepen en hij er daarom vanuit is gegaan dat [naam onderaannemer] [gedaagde] zou informeren, maar die stelling is niet nader onderbouwd en door [gedaagde] weersproken. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat partijen al een aantal jaren met elkaar samenwerken, neemt dat niet weg dat op [eiser] de verantwoordelijkheid rustte om ook [gedaagde] in kennis te stellen van de ontstane schade. Niet blijkt namelijk, en dat is ook niet gesteld, dat [naam onderaannemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen. Dat [gedaagde] aan het einde van het project bij familie [naam] ziek zou zijn geworden, doet daar niets aan af. Nu de kantonrechter niet kan vaststellen dat [gedaagde] in kennis is gesteld van de vermeende gebreken – en dus in juridische termen ook niet in gebreke is gesteld – is [gedaagde] niet in verzuim geraakt. Dat heeft tot gevolg dat [gedaagde] niet met succes kan worden aangesproken op betaling van een deel van de kosten die met het herstel gemoeid zijn.
4.6.
Tot slot onderbouwt [eiser] zijn vordering met de stelling, dat het betalen van 33% van de herstelkosten, is gebaseerd op een afspraak die zou zijn gemaakt tussen [eiser] en [naam onderaannemer] . [gedaagde] ontkent dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Dat [gedaagde] op enige wijze bij deze afspraak is betrokken, laat staan zou hebben ingestemd, is de kantonrechter dan ook niet gebleken. [eiser] heeft daarmee zijn stelling dat er sprake is van een afspraak, niet nader onderbouwd.
4.7.
Gelet op het vorenstaande, komt de kantonrechter tot de conclusie dat [eiser] zijn vordering onvoldoende onderbouwd heeft gesteld en daarom wordt afgewezen.
4.8.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
339,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
813,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.
SM