ECLI:NL:RBLIM:2025:3639

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
11486051 \ CV EXPL 25-384
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 237 lid 3 RvArt. 237 lid 4 RvArt. 444 RvArt. 555 e.v. Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens ernstige tekortkomingen huurder en onveilige situatie

Partijen zijn een huurovereenkomst aangegaan voor een woonruimte sinds 1 juli 2009. De verhuurder, Stichting Weller Wonen, constateerde bij huisbezoeken in juni en november 2024 ernstige tekortkomingen in het gebruik en onderhoud van de woning door de huurder, waaronder een overmatige hoeveelheid spullen en het gebruik van een gasfles binnenshuis, wat een brand- en valgevaar oplevert.

Weller heeft de huurder gesommeerd de woning op te schonen, aan te sluiten op gas en elektriciteit en het gebruik van gevaarlijke verwarmingsmethoden te staken. De huurder erkent de slechte staat van de woning en is begonnen met opruimen, maar betwist de ernst van de situatie en wil niet alles weggooien.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen als goed huurder en dat de situatie onveilig is. Daarom wordt de huurovereenkomst ontbonden en de huurder veroordeeld de woning binnen 14 dagen te verlaten en ontruimd op te leveren. Weller hoeft geen aparte machtiging voor ontruiming. De proceskosten worden aan de huurder opgelegd. De ontruiming wordt tijdelijk opgeschort zolang de huurder opruimt volgens afspraak.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen met proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11486051 \ CV EXPL 25-384
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
Stichting Weller Wonen,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller,
gemachtigde: mr. R.W. Janssen,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de schriftelijke weergave van het antwoord
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 19 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst op grond waarvan [gedaagde] van Weller sinds 1 juli 2009 huurt de woonruimte gelegen en staande aan de [adres] , [woonplaats] . In de huurovereenkomst is in artikel 2.2. het volgende opgenomen:
“Huurder zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt”.
In de artikelen 1.1. en 1.2. van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen, voor zover thans van belang, bepaald:
“Huurder dient het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – behoorlijk en zelf te gebruiken.”
“Huurder zal zich gedragen naar de mondelinge of schriftelijke aanwijzingen door of namens verhuurder gegeven in het belang van een behoorlijk gebruik van het gehuurde en van de ruimten, installaties en voorzieningen van het gebouw (…)”
2.2.
Op 13 juni 2024 vindt een huisbezoek plaats. Bij brief van 17 juni 2024 heeft Weller [gedaagde] gewezen op het brand- en valgevaar als gevolg van de overmatige hoeveelheid spullen in de woning en het gebruik van een gasfles binnenshuis. Daarnaast heeft Weller uit veiligheidsoverwegingen aangeboden een elektrisch punt in de woning aan te sluiten ten behoeve van een elektrische kookplaat en hulp aangeboden bij het opruimen van de woning.
2.3.
Op 8 november 2024 heeft opnieuw een huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens dit bezoek constateert Weller dat er in de woning geen veranderingen of verbeteringen zijn aangebracht. Weller constateert zelfs dat [gedaagde] de woning verwarmt met een pannetje water op het gasfornuis.
2.4.
Bij brief van 18 november 2024 heeft de advocaat van Weller [gedaagde] gesommeerd om:
a. de huurwoning aan te sluiten op gas en elektriciteit;
b. de huurwoning op te schonen;
c. de woning niet meer te “verwarmen” via pannetjes met heet water;
d. geen gebruik meer te maken van een gasfles.
2.5.
[gedaagde] heeft niet gereageerd op de sommatiebrief.

3.Het geschil

3.1.
Weller vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
  • de huurovereenkomst zal ontbinden,
  • [gedaagde] zal veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis Weller in het vrije bezit te stellen van het gehuurde, en wel door de sleutels van het gehuurde bij Weller in te leveren en het gehuurde geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt aan Weller op te leveren, zulks met machtiging aan Weller bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en dit vervolgens verlaten en ontruimd houden zelf te bewerkstellingen op kosten van [gedaagde] .
Subsidiair:
  • [gedaagde] zal verbieden om in het gehuurde een gasfles te gebruiken om te koken en/of om het gehuurde te verwarmen, zulks op straffe van een dwangsom van
  • € 50,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag [gedaagde] hiermede in gebreke blijft na 7 dagen na betekening van dit vonnis.
Zowel primair als subsidiair:
- [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Weller legt aan haar vorderingen ten grondslag, kort weergegeven, dat [gedaagde] zich niet als een goede huurder gedraagt en dat hij ernstig tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. [gedaagde] veroorzaakt een onaanvaardbaar brandrisico voor zichzelf en omwonenden. [gedaagde] onderhoudt de woning niet en door geen leveringscontract af te sluiten is er een gerede kans op schade aan de installaties en leidingen van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] betwist de vordering op zichzelf niet. Hij erkent dat de woning slecht onderhouden is en opgeruimd moet worden maar hij is het niet eens met de manier waarop het gaat. [gedaagde] voert aan dat hij weer energie heeft en dat hij wil verhuizen. [gedaagde] wilt best meewerken maar op een manier die aanvaardbaar is voor hem. Hij wil niet alles weggooien. [gedaagde] voert vervolgens aan dat hij hulp heeft aangevraagd.
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling vult [gedaagde] aan dat hij is gestart met het opruimen van de woning. Tevens geeft hij aan dat van een brandgevaarlijke situatie in zijn woning geen sprake is. Volgens [gedaagde] is de brandgevaarlijke situatie opgelost zodra de kast in de gang leeg is.

4.De beoordeling

4.1.
Een huurder is verplicht zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als een goed huurder te gedragen. Een huurder moet goed voor het gehuurde zorgen en voorkomen dat de leefomgeving overlast van hem of haar ervaart. Een huurder mag de woning dus niet vervuilen en geen gevaarlijke situaties laten ontstaan. Daarnaast moet een huurder medewerking verlenen aan dringende werkzaamheden die de verhuurder aan de woning moet verrichten en moet de huurder het gehuurde gebruiken voor het doel waarvoor het is bestemd, te weten als woonruimte.
4.2.
Uit de door Weller overlegde stukken (waaronder foto’s van de woning) en het hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, blijkt dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in zijn verplichting om zich als een goed huurder te gedragen. Vaststaat dat de woning volstaat met spullen en dat [gedaagde] gebruik maakt van een gasfles binnenshuis waardoor een gevaarlijke situatie kan ontstaan. Tevens staat vast dat het gehuurde in een slechte staat verkeert. De kantonrechter begrijpt dat er bij [gedaagde] wel de wil bestaat om op te ruimen - en vast staat dat hij ook is begonnen met het opruimen van de woning - maar dat de situatie nog grotendeels onveranderd is gebleven. De conclusie die hieruit volgt is dat de kantonrechter de door Weller gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal toewijzen.
4.3.
Weller heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd [gedaagde] niet te ontruimen, op voorwaarde dat [gedaagde] de woning opruimt. In dit verband geeft [gedaagde] aan dat hij de woning binnen drie maanden na 19 februari 2025 zal hebben opgeruimd, wat betekent dat de woning eind mei 2025 opgeruimd zal zijn.
4.4.
Verder vordert Weller een machtiging om, in het geval [gedaagde] in gebreke blijft met de volledige ontruiming en het verlaten van de woning, zelf tot ontruiming over te gaan. Weller behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv Pro) worden toereikend geacht, zodat Weller bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.
4.5.
De gevorderde vergoeding van de ontruimingskosten wordt ook afgewezen. De partij die ongelijk krijgt kan namelijk alleen worden veroordeeld tot betaling van kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt (artikel 237 lid 3 Rv Pro) dan wel kosten die na de uitspraak worden gemaakt maar die zich wel laten begroten (artikel 237 lid 4 Rv Pro). Dat is niet het geval bij ontruimingskosten; deze kosten worden namelijk (mogelijk) na het ontruimingsvonnis gemaakt en lenen zich, zonder nadere toelichting, niet voor voorwaardelijke begroting.
4.6.
Aangezien de primaire vordering wordt toegewezen, behoeft het subsidiair gevorderde geen bespreking meer.
4.7.
Nu [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen aan Weller. De proceskosten van Weller worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
136,72
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
- nakosten
408,00
102,00
(2 punt × € 204,00)
Totaal
781,72
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [adres] , [woonplaats] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Weller te stellen,
5.3.
vaststaat dat Weller niet zal overgaan tot het tenuitvoerleggen van de ontruiming zolang de woning wordt opgeruimd door [gedaagde] , onder de hierboven genoemde voorwaarden,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 781,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover – maar met uitzondering van onderdeel 5.3. – uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.
ns