Eiser werd op 5 juni 2023 door de politie aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet, waarna zijn auto en woning werden doorzocht. De politie vond in de woning onder meer administratie en verpakkingen met sporen van heroïne en cocaïne. Eiser vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de politie, stellende dat er geen redelijk vermoeden van schuld was en de verdenking ongegrond bleek.
De rechtbank oordeelde dat uit het proces-verbaal en de omstandigheden, waaronder een verklaring van een derde die verklaarde cocaïne van eiser te hebben gekocht, blijkt dat er wel degelijk een redelijk vermoeden van schuld bestond. Daarmee ontbrak de grondslag voor onrechtmatigheid zoals bedoeld in het Begaclaim-arrest. Eiser heeft vervolgens zijn vorderingen niet gehandhaafd.
De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde eiser in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken op 30 april 2025 door rechter A.H.M.J.F. Piëtte.