ECLI:NL:RBLIM:2025:4333
Rechtbank Limburg
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Terugbetaling huurkoopsom na ontbinding huurkoopovereenkomst onroerende zaak
Partijen sloten op 14 augustus 2018 een huurkoopovereenkomst voor een pand waarbij eiser de koper was en gedaagde de verkoper. De koopprijs bedroeg €230.000, waarvan €90.000 onder notarieel beheer bleef totdat inschrijving in het kadaster plaatsvond.
De woning werd op 14 augustus 2023 geleverd aan eiser, die deze direct aan derden onderverhuurde en nooit zelf betrok. Gedaagde bood het pand in december 2023 te koop aan en verkocht het voor €240.000 aan een derde. Eiser legde conservatoir beslag op het pand vanwege een geschil.
De huurkoopovereenkomst werd buitengerechtelijk ontbonden met wederzijds goedvinden. Eiser vorderde terugbetaling van de betaalde €90.000 huurkoopsom, vermeerderd met schadevergoeding wegens tekortkoming en boetebedingen. Gedaagde erkende de ontvangst van €90.000 maar stelde een verrekening van een contractuele boete van €24.000 en opbrengsten uit onderverhuur.
De rechtbank oordeelde dat eiser op grond van artikel 7:108 BW Pro en artikel 19 van Pro de overeenkomst recht heeft op terugbetaling van de betaalde som minus de contractuele boete. De boete werd geaccepteerd als verrekenbaar bedrag, maar de vordering tot verrekening van opbrengsten uit onderverhuur werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan concrete onderbouwing.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van €66.000 aan eiser, verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en compenseerde de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €66.000 aan eiser met verrekening van contractuele boete.