ECLI:NL:RBLIM:2025:5001

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 april 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
11376820 MS VERZ 24-1311
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:450 BWArt. 1:451 BWArt. 1:452 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Instelling mentorschap voor kloostergemeenschaplid wegens geestelijke en lichamelijke beperkingen

De rechtbank Limburg behandelde het verzoek tot instelling van een mentorschap voor een betrokkene woonachtig in een kloostergemeenschap. Verzoekster, medezuster en huisoverste van de congregatie waar betrokkene verblijft, vroeg om benoeming tot mentor omdat de betrokkene vanwege haar geestelijke en lichamelijke toestand haar niet-vermogensrechtelijke belangen niet zelfstandig kan behartigen.

De kantonrechter nam kennis van het verzoekschrift, diverse e-mailberichten en de mondelinge behandeling waarbij betrokkene instemming gaf met de benoeming. De familie van betrokkene is op hoge leeftijd en woont ver weg, waardoor zij niet in staat zijn het mentorschap op zich te nemen. De zorg wordt verleend door thuiszorgverplegers, niet door de zusters zelf.

Hoewel de wet in beginsel personen verbonden aan de zorginstelling uitsluit als mentor vanwege belangenverstrengeling, oordeelde de kantonrechter dat binnen deze kloostergemeenschap sprake is van een uitzonderlijk geval. De onderlinge band tussen zusters is vergelijkbaar met familie, waardoor benoeming van verzoekster als mentor passend is.

De kantonrechter verklaarde verzoekster ontvankelijk en stelde het mentorschap in met ingang van 16 april 2025. Dit besluit is in het belang van de betrokkene en voorkomt dat belangrijke keuzes zonder vertegenwoordiging blijven. Tegen de beschikking staat hoger beroep open.

Uitkomst: Mentorschap ingesteld met benoeming van verzoekster tot mentor ter behartiging van de belangen van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Team Toezicht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11376820 MS VERZ 24-1311
MB-nummer: 45222
Uitspraakdatum: 3 april 2025

Beschikking instelling mentorschap

op het verzoek van:
[verzoekster] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1978,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna: verzoekster.
met betrekking tot:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1937,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna: de betrokkene.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 29 oktober 2024,
- een bereidverklaring van de voorgestelde mentor,
  • een e-mailbericht van de verzoekster, ingekomen op 15 januari 2025,
  • een e-mailbericht met bijlagen van de verzoekster, ingekomen op 27 januari 2025,
  • een e-mailbericht met bijlagen van de verzoekster, ingekomen op 3 februari 2025,
  • een e-mailbericht met bijlagen van de verzoekster, ingekomen op 17 en 21 maart 2025,
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2025.
Verschenen zijn:
  • betrokkene,
  • verzoekster,
  • mevrouw [naam medezuster] , medezuster.
De uitspraak is bepaald op heden.

verzoek

Het verzoek strekt tot instelling van mentorschap ten behoeve van de betrokkene.

beoordeling

Verzoekster is medezuster en huisoverste in het Moederhuis van de Congregatie van de Karmelietessen van het Goddelijke Hart van Jezus, zijnde de plek waar betrokkene woonachtig is en verzorgd wordt. Het verzoek strekt tot instelling van mentorschap ten behoeve van de betrokkene, met benoeming van verzoekster tot mentor. De enige familie van betrokkene, haar broer en zus, zijn op hoge leeftijd en wonen ver weg. Zij kunnen deze taak niet op zich nemen. Verzoekster geeft aan dat de betrokkene verzorging nodig heeft en er vaker keuzes dienen te worden gemaakt, zoals het ondergaan van een operatie en bezoeken aan de dokter. De zusters van de congregatie lopen tegen het probleem aan dat ze niet de bevoegdheid hebben om dergelijke keuzes voor de betrokkene te maken. Verzoekster vertelt daarnaast dat de betrokkene niet wordt verzorgd door de zusters van de congregatie zelf, maar dat er verplegers zijn - zoals thuiszorg - die dit komen doen. Verzoeker is als huisoverste ‘de baas’ over de zusters, maar niet over de verplegers die betrokkene verzorgen.
De kantonrechter heeft aan de betrokkene uitgelegd wat mentorschap inhoudt en gevraagd of zij akkoord gaat met de benoeming van verzoekster tot haar mentor, waarop de betrokkene meerdere keren instemmend heeft gereageerd.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Artikel 1:450 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de kantonrechter een mentorschap kan instellen ten behoeve van de betrokkene indien de betrokkene als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
Artikel 1:451 lid 2 BW Pro bepaalt dat het mentorschap (ook) kan worden verzocht door de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt. In dat geval wordt in het verzoekschrift tevens vermeld waarom de in het eerste lid genoemde personen - bloedverwanten in de zijlijn in de derde en vierde graad daaronder niet begrepen - niet tot indiening van een verzoek zijn overgegaan.
De kantonrechter verklaart verzoekster op grond van genoemde artikelen ontvankelijk in haar verzoek, omdat de congregatie de plek is waar de betrokkene verblijft en verzorgd wordt. De congregatie is tevens ingeschreven in het handelsregister en uit een door de Generaal Overste van de congregatie afgegeven schriftelijke verklaring leidt de kantonrechter af dat verzoekster is gemachtigd de congregatie te vertegenwoordigen.
De kantonrechter acht daarnaast uit de stukken en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling voldoende aannemelijk dat de betrokkene als gevolg van haar geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
Ten aanzien van de te benoemen mentor overweegt de kantonrechter verder als volgt.
Artikel 1:452 lid 6 sub c tot Pro en met e BW bepaalt dat de direct betrokken of behandelend hulpverlener, personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt en personen verbonden met de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt niet kunnen worden benoemd tot mentor. Dit is in de wet opgenomen vanwege een mogelijke verstrengeling van belangen en de afhankelijkheidsrelatie tussen betrokkene en diegene die hem/haar verzorgt of behandelt. Blijkens de wetsgeschiedenis wilde de regering in uitzonderingsgevallen wel de benoeming van de instelling waar de betrokkene verblijft mogelijk maken, bijvoorbeeld in gevallen waarin de hele familie of vriendenkring van betrokkene was weggevallen, maar dit is door de wetgever niet overgenomen (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22474, nr. 3, p. 23).
Het voorgaande neemt niet weg dat de kantonrechter geen bezwaren ziet tegen de benoeming van de voorgestelde mentor. De kantonrechter neemt daarbij in overweging dat er sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de wetsgeschiedenis. Binnen een klooster-gemeenschap is het immers gebruikelijk dan de zusters voor elkaar zorgen en een onderlinge band hebben die vergelijkbaar is met de band tussen familieleden. De kantonrechter ziet in dit geval geen gevaar voor belangenverstrengeling tussen de congregatie, de voorgestelde mentor en de betrokkene. De kantonrechter acht het mentorschap en de benoeming van de voorgestelde mentor bovendien in het belang van de betrokkene.
De kantonrechter zal het verzoek daarom toewijzen.

beslissing

De kantonrechter:
- verklaart de verzoeker ontvankelijk in haar verzoek,
- stelt een mentorschap in ten behoeve van
[betrokkene]met ingang van
16 april 2025,
- benoemt tot mentor:
[verzoekster] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1978,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schreurs-van de Langemheen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, R. Beenkens. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze beschikking kan – door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te