De moeder verzoekt de rechtbank om vervangende toestemming om het hoofdverblijf van haar kind te wijzigen van de pleegouders naar haarzelf. De pleegouders wonen al vijf jaar met het kind, die een licht verstandelijke beperking heeft en een hechtingsrelatie met hen en zijn pleegzus. De raad adviseert afwijzing van het verzoek vanwege het belang van stabiliteit en voorspelbaarheid voor het kind, maar juicht de positieve ontwikkeling van de moeder toe en adviseert uitbreiding van de zorgregeling.
De moeder is het niet eens met het advies en wil het kind zelf opvoeden. De pleegouders steunen het advies maar stellen een alternatieve zorgregeling voor, waarbij ook de rol van de grootmoeder moederszijde wordt betrokken. Tijdens de mondelinge behandeling bevestigen partijen hun standpunten. Het kind zelf wil graag bij de moeder wonen, maar ook contact houden met de pleegouders.
De rechtbank overweegt dat het verzoek van de moeder slechts kan worden afgewezen als dit noodzakelijk is in het belang van het kind. Hoewel het kind zijn vertrouwde omgeving zal verlaten, zijn de overige risico's door de raad slechts veronderstellingen. De moeder leidt een stabiel leven en kan het kind structuur en duidelijkheid bieden. De relatie tussen pleegouders en moeder is verstoord, wat het contact tussen moeder en kind belemmert. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en vervangt de toestemming van de pleegouders.
De overgang naar de moeder moet geleidelijk verlopen, bij voorkeur richting de zomervakantie. De rechtbank stelt een ruime omgangsregeling vast waarbij het kind om de veertien dagen in de even weken van vrijdag na school tot zondag bij de pleegouders verblijft. Het voorwaardelijke verzoek van de moeder voor een zorgregeling wordt afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen het verblijf kan alleen cassatie worden ingesteld.