Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
- het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden bij café [naam 1] worden beschreven;
01:28 uur, ter hoogte van het café [naam 1] , gelegen aan de [adres 2] te Brunssum. [4] [benadeelde] heeft verklaard dat de verdachten met hem wilden vechten, dat hij is neergeschoten met een vuurwapen en dat hij hierbij is geraakt in zijn heup, buik en de binnenkant van zijn rechterarm. Hij noemt de verdachte bij naam als een van de schuldigen. [5]
naar de rechtbank begrijpt) om 550 gram cocaïne, 1 kilogram heroïne en een zak versnijdingsmiddel gaat:
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest en de tijd in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;
- legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende dat verdachte gedurende 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] , geboren op [geboortegegevens 2] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis van 14 dagen wordt toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van feit 2 onder parketnummer 03.129258.24 gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde met zijn medeverdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde] , van een bedrag van € 16.644,56, bestaande uit € 1.644,56 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, waarbij voornoemde materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en voornoemde immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de veroordeelde hoofdelijk met de medeverdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , ter zake van feit 2 onder parketnummer 03.129258.24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.644,56 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 118 dagen;
- bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn medeverdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;