ECLI:NL:RBLIM:2025:5695

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
11693587 CV EXPL 25-2165
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 159 lid 2 RvArt. 7:629a lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering en wedertewerkstelling wegens onvoldoende aannemelijke kans in bodemprocedure

In deze kortgedingprocedure vordert eiser loonbetaling vanaf 17 april 2025 en wedertewerkstelling conform medische beperkingen. De Duurzame Jongens stelt dat de arbeidsovereenkomst op die datum van rechtswege is geëindigd vanwege het verstrijken van een voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst van zes maanden, waarvan de beëindiging tijdig is aangezegd.

De kern van het geschil is of de derde arbeidsovereenkomst daadwerkelijk door eiser is ondertekend. Dit is van belang omdat deze ondertekening dwingende bewijskracht heeft voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Eiser ontkent echter de handtekening, waardoor nadere bewijslevering noodzakelijk is.

De kantonrechter oordeelt dat in kort geding geen plaats is voor bewijslevering en dat de bewijslast bij De Duurzame Jongens ligt. Gezien de aangevoerde standpunten acht de rechter de kans dat De Duurzame Jongens in de bodemprocedure slaagt niet onaannemelijk. Daarom is onvoldoende aannemelijk dat de vorderingen van eiser in een bodemprocedure zullen slagen.

Daarnaast is sprake van een restitutierisico omdat loon in beginsel wordt uitgegeven. Daarom worden de vorderingen afgewezen. Eiser is arbeidsongeschikt en kan op grond van artikel 7:629a lid 6 BW niet worden veroordeeld in proceskosten, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, wat niet is vastgesteld. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de loonvordering en vordering tot wedertewerkstelling af wegens onvoldoende aannemelijke kans van slagen in de bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11693587 \ CV EXPL 25-2165
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 12 juni 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Rahnama'i,
tegen
DE DUURZAME JONGENS B.V.,
te Sittard,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Duurzame Jongens,
gemachtigde: mr. J.A. Houben-Timmermans.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Maastricht.
De zaak wordt behandeld door mr. A.P.A. Bisscheroux, kantonrechter, en mr. S. Hollanders als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] , bijgestaan door mr. Rahnama'i,
- [naam 1] en [naam 2] namens De Duurzame Jongens, bijgestaan door mr. Houben-Timmermans.
De kantonrechter gaat over tot de mondelinge behandeling. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Daarvan zijn zittingsaantekeningen gemaakt die in het dossier worden gevoegd.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat zij op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak zal doen. De kantonrechter doet de volgende uitspraak:

1.De beoordeling

De zaak in het kort
1.1.
[eiser] vordert onder andere loonbetaling (bij ziekte) vanaf 17 april 2025 omdat hij van mening is dat hij nog steeds in dienst is van De Duurzame Jongens. Ook vordert hij wedertewerkstelling, in overeenstemming met zijn medische beperkingen en re-integratieverplichtingen, zoals vastgesteld door de bedrijfsarts. De Duurzame Jongens stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst op 17 april 2025 van rechstwege geëindigd is, omdat de laatste (derde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was aangegaan, voor de duur van zes maanden. De beëindiging is tijdig aangezegd per e-mail van 6 maart 2025.
De beoordeling van de voorzieningenrechter
1.2.
De kantonrechter in dit kort geding dient te beoordelen of de vorderingen van [eiser] in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
1.3.
Het geschil draait om de vraag of de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, zoals door De Duurzame Jongens overgelegd als productie 6, door [eiser] zelf is ondertekend. Als dat zo is, dan heeft dit stuk immers dwingende bewijskracht voor de stelling van De Duurzame Jongens dat de arbeidsovereenkomst op 17 april 2025 door het verstrijken van de bepaalde termijn van 6 maanden (en de tijdige aanzegging) van rechtswege is geëindigd. Omdat [eiser] stellig ontkent dat de handtekening op deze arbeidsovereenkomst van hem is, heeft dit stuk die bewijskracht nu niet. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 159 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1.4.
Om te kunnen vaststellen of de handtekening op deze arbeidsovereenkomst door [eiser] is gezet, is nadere bewijslevering noodzakelijk. De bewijslast ligt bij De Duurzame Jongens. Zoals reeds overwogen, is in deze procedure geen plaats voor die nadere bewijslevering. Daarvoor zal een bodemprocedure aanhangig moeten worden gemaakt. Gelet op hetgeen partijen in deze procedure hebben aangevoerd acht de kantonrechter de kans dat De Duurzame Jongens in die bewijslevering slaagt niet onaannemelijk. Het is in dit kort geding dan ook niet gebleken dat de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een voldoende aannemelijke kans van slagen hebben. Daarom kunnen zijn vorderingen in deze procedure niet worden toegewezen, temeer niet gelet op het restitutierisico aangezien loon in beginsel wordt uitgegeven. De vorderingen worden dan ook afgewezen.
1.5.
[eiser] is de in het ongelijk gestelde partij. [eiser] is arbeidsongeschikt wegens ziekte en kan op grond van artikel 7:629a lid 6 BW niet worden veroordeeld in de proceskosten tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van dat laatste is niet gebleken. De proceskosten tussen partijen worden daarom gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

De kantonrechter
2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
2.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 12 juni 2025.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.