Op 7 september 2024 heeft verdachte in Maastricht het slachtoffer meerdere malen met geschoeide voet tegen het hoofd en bovenlichaam getrapt en met kracht gestompt. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van opzet op overlijden, waardoor verdachte vrijgesproken werd van poging tot doodslag.
De rechtbank achtte wel bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen, hetgeen strafbaar is als poging tot zware mishandeling. De verdachte handelde naar het oordeel van de rechtbank uit de intentie om de-escalerend te handelen, maar verloor de controle tijdens een conflict tussen het slachtoffer en diens vrouw.
De rechtbank hield rekening met het blanco strafblad van verdachte, een positief reclasseringsrapport en zijn spijtbetuiging. Gelet op de ernst van het feit en persoonlijke omstandigheden werd een gevangenisstraf van 30 dagen opgelegd, waarvan 29 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 180 uren, met een vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-nakoming.