Op 1 juli 2025 heeft de rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, die werd veroordeeld voor ambtelijke corruptie, valsheid in geschrift en het gebruik van vervalst geschrift. Gelijktijdig met de strafzaak behandelde de rechtbank de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht.
De officier van justitie vorderde een bedrag van €15.260,00, terwijl de verdediging stelde dat het bedrag €9.289,67 moest zijn. De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van meerdere taakgestraften die betalingen aan verdachte hadden gedaan in ruil voor het aftekenen van werkstrafuren, alsmede op de eigen verklaring van verdachte.
De rechtbank stelde vast dat verdachte ten minste €6.000,00 direct had ontvangen en schatte het voordeel uit overige betalingen op €4.717,50, gebaseerd op een gemiddeld uurbedrag van €15,00. Daarmee kwam het totaal op €10.717,50. De rechtbank legde verdachte de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en bevat tevens een bepaling over gijzeling van maximaal 214 dagen als dwangmiddel bij niet-betaling. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht.