4.3.1Inleiding
Op 2 mei 2021 is [naam 1] in Hoensbroek (gemeente Heerlen) van het leven beroofd. Uit het sectierapport en ander forensisch bewijs blijkt dat hij door twee kogels uit een vuurwapen is geraakt. Het overlijden van [naam 1] wordt verklaard door de gevolgen van een inschot in de borst, waarbij het hart is geraakt en er verbloeding en functieverlies optrad. Het tweede kogeltraject heeft geen substantiële bijdrage geleverd aan het overlijden.
Uit de resultaten van het opsporingsonderzoek kon geconcludeerd worden dat de verdachte de schutter was. Dat is door de verdachte ook bevestigd in een door hem op 5 april 2024 bij de politie verstrekte, op schrift gestelde verklaring. Ook ter terechtzitting op 7 mei 2025 heeft hij bevestigd op [naam 1] te hebben geschoten.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte verantwoordelijk is voor de dood van [naam 1] . De rechtbank stelt ook op basis van het bewijs vast dat de verdachte met opzet heeft gehandeld: hij heeft bewust gericht op [naam 1] geschoten. De verdediging heeft nog aangevoerd dat van opzet geen sprake was omdat de verdachte louter in paniek zou zijn geweest, maar de rechtbank gaat hieraan voorbij. In uitzonderlijke gevallen kan de geestestoestand van een verdachte in de weg staan aan een bewezenverklaring van het bestanddeel opzet. Dan moet aannemelijk zijn dat het een verdachte aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan heeft ontbroken, maar er zijn geen feiten of omstandigheden te vinden in het dossier of anderszins aannemelijk geworden die de conclusie rechtvaardigen dat zo’n (zeer) uitzonderlijk geval zich voordoet.
Iemand die opzettelijk een ander doodschiet, is juridisch gezien nog niet meteen een moordenaar; dat is slechts het geval indien een verdachte ook met voorbedachte raad heeft gehandeld. Of daarvan in dit geval sprake is, zal de rechtbank eerst beoordelen, waarbij de rechtbank ook een oordeel zal geven over de rol van degenen die de verdachte vergezelden. Daarna komen de overige feiten aan de orde: de verwijten van het overtreden van de Opiumwet en witwassen. Deze feiten zal de rechtbank bewezen verklaren en daarbij nog een (korte) motivering geven. Feit 3, het bezit van een vuurwapen, zal eveneens bewezen worden verklaard.
Ook moet ter zake van de feiten 1 en 2 de vraag beantwoord worden of aan de verdachte een beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt. Die vraag komt aan de orde in de paragrafen 5 en 6 van dit vonnis.
4.3.2Voorbedachte raad?
Inleiding
Aan de verdachte is onder feit 1 primair tenlastegelegd dat hij [naam 1] heeft vermoord; met andere woorden dat hij [naam 1] opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gedood. Dat de verdachte [naam 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd door op hem te schieten staat vast. De vraag is echter of de verdachte op voorhand al van plan was om [naam 1] te doden. Met andere woorden of er dus inderdaad sprake was van voorbedachte raad.
Om 'voorbedachte raad' bewezen te kunnen achten, moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet dus de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad én om zich daarvan rekenschap te geven. Het is vaste rechtspraak dat bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad het bij uitstek gaat om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. De rechter moet hierbij het gewicht bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Bij de weging en waardering van de omstandigheden van dit geval heeft de rechtbank acht geslagen op het volgende.
Het conflict
Uit het dossier en uit hetgeen ter terechtzitting is gebleken, volgt dat de verdachte en [naam 1] een zakelijk conflict hadden. De verdachte had aan [naam 1] een partij drugs verkocht, maar deze was niet volledig door [naam 1] betaald; de verdachte had nog circa 50.000 euro van [naam 1] tegoed. In de weken voorafgaande aan het fatale incident is de verdachte daarom naar [naam 1] op zoek gegaan. Hij heeft geprobeerd [naam 1] telefonisch te bereiken, heeft mensen gevraagd of zij wisten waar [naam 1] was en is kennelijk zelf ook alleen en met anderen naar Aken geweest in de hoop [naam 1] te treffen. Dit alles echter zonder resultaat: hij trof [naam 1] niet.
Dat deed hij wel op die tweede mei in 2021. Letterlijk. Met vuurwapengeweld beëindigde de verdachte het leven van [naam 1] , maar was de verdachte dit al langer van plan? De rechtbank kan niet in het hoofd van verdachte kijken en zal bij de beantwoording van deze vraag derhalve moeten varen op hetgeen de verdachte en de getuigen hebben verklaard en de uiterlijke verschijningsvorm van hetgeen is voorgevallen. Daartoe het volgende.
De gebeurtenissen op 2 mei 2021
Op een voor de rechtbank onbekende wijze is de verdachte er kennelijk achter gekomen dat [naam 1] die tweede mei met [naam 5] naar Breda (en/of Rotterdam) zou rijden. De verdachte is hem daarbij met [naam 6] kennelijk gevolgd. Dit leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de verdachte en [naam 6] naar Rotterdam en Breda zijn gereden op diezelfde dag en de nagenoeg gelijktijdige aanwezigheid van zowel [naam 1] als de verdachte en [naam 6] op de [straat] in Breda ( [naam 1] om 13.55 uur en de verdachte en [naam 6] om 13.58 uur).
De verdachte heeft de rechtbank willen doen geloven dat het hier een toevallige omstandigheid betrof, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Niet alleen vindt de rechtbank het nagenoeg gelijktijdig aanwezig zijn van beiden in dezelfde straat in het licht van het bestaande conflict tussen beiden en het door verdachte naar [naam 1] op zoek zijn, te toevallig, maar ook uit de opgenomen vertrouwelijke communicatie in de auto van (de broer van) [medeverdachte 1] blijkt dat de verdachte wist waar [naam 1] die dag was en dat hij, verdachte, [naam 1] gevolgd was.
Uit de verklaringen van de getuigen [naam 5] en [naam 7] volgt dat [naam 1] in Breda een afspraak had met een persoon om de mogelijkheden te bespreken van een of meer toekomstige drugs-transacties. Op die dag vond er echter geen transactie plaats en had [naam 1] ook geen (grote) geldbedragen bij zich. Dat de verdachte dit kennelijk anders had ingeschat, volgt uit uitspraken die hij later die dag deed. Daarover later meer.
Vanuit Breda reed [naam 1] met [naam 5] naar het zuiden en dat deed de verdachte ook met [naam 6] . De verdachte en [naam 6] gingen naar Heerlen, waar de verdachte omstreeks 15.47 uur aankwam en tot ongeveer 16.50 uur bleef. De verdachte heeft dan kennelijk een plan bedacht om deze keer [naam 1] wél te ontmoeten en in de tijd dat hij in Heerlen was heeft de verdachte ter uitvoering van zijn plan diverse personen geronseld.
Zo heeft de verdachte op het CBS-plein in Heerlen zijn broer [naam 8] en [medeverdachte 1] aangesproken. In de woorden van [medeverdachte 1] zei verdachte: “Hij is gekomen, dat mannetje, die ene van Rotterdam. Die mannetje volg ik, hij komt hierheen. Hij heeft dit en hij heeft dat bij zich. Kunnen wij hem pakken? (…) zullen wij hem pakken, kapot maken en dinges van hem afpakken. Ik heb heel geld tegoed bij hem” en “uh, uh boys, die mannetje waar ik doekoe van krijg, is onderweg hiernaartoe. Ik zal hem klappen geven, gaan we die dinges gewoon afpakken, hij was in Rotterdam. Hij heeft sowieso iets bij zich”. Ook [medeverdachte 3] is bewogen om mee te doen. Deze kwam toevallig langsrijden in een door hem gehuurde witte Golf GTI en kennelijk is [medeverdachte 3] ook door de verdachte aangesproken en aangespoord mee te doen.
Door of via verdachte zijn ook [naam 9] , diens broer [naam 9] en [medeverdachte 2] benaderd. Zij zijn met de auto-ambulance van [naam 9] de weg opgestuurd, kennelijk om [naam 1] tot stoppen te krijgen, en moesten ook fungeren als “back up als het uit de hand zou lopen” respectievelijk als “een soort beveiliging”.
Hoe het verdere plan precies in elkaar stak, is de rechtbank niet geheel duidelijk geworden.
Wel is duidelijk geworden dat na de ontmoeting op het CBS-plein [naam 8] [verdachte] en [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 3] in de witte Golf zijn gestapt en over de A2 richting Roosteren zijn gereden, waar zij rond 16.59 uur draaiden en de A2 in zuidelijke richting namen. Ook staat voldoende vast dat [naam 6] inmiddels geregeld had dat [naam 11] hem kwam ophalen, waarna zij gezamenlijk vanuit Heerlen over de A2 naar het noorden zijn gereden; om 16.51 uur waren zij ter hoogte van Maasbracht, alwaar zij omkeerden en weer over de A2 richting Sittard reden. Twee minuten voor de aanrijding tussen de auto-ambulance en de auto van [naam 1] reden zij op zichtafstand achter deze auto.
[naam 9] en [naam 9] en [medeverdachte 2] zijn met de auto-ambulance eerst richting de [fastfoodrestaurant] in Geleen gereden (alwaar zij om 16.58 uur aankwamen), om vervolgens weer in zuidelijke richting de A76 op te rijden. Uit de telecomgegevens is gebleken dat [naam 6] vanaf 16.51 uur meermalen telefonisch contact heeft gehad met [naam 9] , de bestuurder van de auto-ambulance.
Gelet op hetgeen in de OVC-gesprekken wordt gezegd door [medeverdachte 1] , houdt de rechtbank het voor waarschijnlijk dat de verdachte tussentijds samen met [medeverdachte 1] een revolver is gaan halen, waarna zij in een grijze Golf, die op naam stond van de vrouw van verdachte, eveneens naar de [fastfoodrestaurant] in Geleen zijn gereden (aankomst 17.05 uur) en vervolgens de A76 in zuidelijke richting hebben genomen.
[naam 1] en [naam 5] reden na hun bezoek aan Breda richting Heerlen. Om 16.50 uur reden zij ter hoogte van Maasbracht, om 17.05 uur ter hoogte van knooppunt Kerensheide en om 17.07 uur op de A76, waar op dat moment de auto-ambulance van [naam 9] vanaf de vluchtstrook kort voor [naam 1] invoegde op een wijze die deze noopte te remmen. Tussen 17.08 en 17.11 uur vond vervolgens ter hoogte van Spaubeek een aanrijding plaats tussen de auto-ambulance en de auto van [naam 1] : toen [naam 1] de auto-ambulance wilde inhalen, stuurde deze abrupt naar links en remde hard, waardoor [naam 1] tegen de auto-ambulance aanreed. De witte Golf is dan ook ter plaatse: uit de gegevens van deze auto blijkt dat deze met een snelheid van 27 km/uur de A76 oprijdt en vervolgens om 17.08 uur met een snelheid van 8 km/uur invoegt, waarna om 17.09 uur meteen achter de witte Golf de aanrijding plaatsvindt.
Tussen 17.09 en 17.17 uur bevonden zowel de verdachte met [medeverdachte 1] , als [naam 6] met [naam 13] en de witte Golf (met daarin [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [naam 8] [verdachte] ) zich in de omgeving van Spaubeek, waarbij in ieder geval enkelen van hen zicht hadden op de afhandeling van de aanrijding tussen de auto-ambulance en de auto van [naam 1] . Door zowel [medeverdachte 2] als verdachte als [medeverdachte 1] werd in deze tijdspanne getracht in contact te komen met inzittenden van de auto-ambulance. Door de inzittenden van de auto-ambulance en de auto van [naam 1] werd overeengekomen om de schade-afhandeling elders voort te zetten. De auto-ambulance reed vervolgens richting Hoensbroek, gevolgd door [naam 1] . Beiden stopten op de [adres 2] in Hoensbroek.
Ondertussen ontmoetten de witte Golf en grijze Golf met daarin [medeverdachte 1] en verdachte elkaar om 17.21 uur op de Kamperweg in Nuth, alwaar verdachte overstapte naar de witte Golf en achter de bestuurder, [medeverdachte 3] , plaatsnam. [medeverdachte 1] nam op zijn beurt diens plaats in als bestuurder van de grijze Golf en begaf zich richting de [adres 2] , zij het dat hij verkeerd reed en niet arriveerde op de plaats delict, maar op de Naanhofweg, niet ver daarvandaan.
De witte Golf kwam om 17.26 uur aan op de [adres 2] en parkeerde schuin voor de auto van [naam 1] . Vervolgens stapten vier inzittenden van de witte Golf uit; zij hadden allen een vorm van gezichtsbedekking en de verdachte had een vuurwapen in zijn hand. De verdachte hield het vuurwapen tegen het bestuurdersraam van de auto van [naam 1] , een van de andere inzittenden van de witte Golf opende het achterportier en probeerde [naam 1] uit de auto te krijgen. [naam 1] stapte uit en werd door de verdachte met het vuurwapen bedreigd. Op enig moment liep [naam 1] naar de kofferbak van zijn auto, opende deze en boog voorover. Op dat moment schoot de verdachte diverse malen in de richting van [naam 1] , die ineenzakte en (kort daarop) het leven liet. Vervolgens vluchtten zowel de inzittenden van de witte Golf met [medeverdachte 3] weer als bestuurder, als die van de auto-ambulance, 18 seconden nadat de witte Golf ter plaatse was gearriveerd.
Aanwijzingen en overwegingen
De rechtbank heeft onder ogen gezien dat er aanwijzingen zijn die de visie van het Openbaar Ministerie ondersteunen dat verdachte bij dit alles het vooropgezet plan had om [naam 1] van het leven te beroven. Zo zijn er eerdere uitlatingen van de verdachte die daarop duiden. Volgens [naam 14] heeft de verdachte namelijk tegen haar gezegd ‘Ich bringe den um’ en [naam 7] heeft verklaard dat de verdachte [naam 1] wilde doden. Ook opmerkelijk is het uitgeloofde tipgeld van 25.000 euro voor degene die de verdachte in contact kon brengen met [naam 1] , in aanmerking genomen dat de schuld 50.000 euro bedroeg. Tot slot kan niet onbenoemd blijven dat verdachte voorafgaand aan de ontmoeting met [naam 1] een revolver is gaan halen, die hij kennelijk speciaal voor een ontmoeting met [naam 1] had aangeschaft, getuige de recente zoekslagen op zijn telefoon. Dat verdachte, zoals hij schriftelijk heeft verklaard, het wapen ‘al langere tijd bij zich droeg’ omdat hij zelf bedreigd werd, gelooft de rechtbank dan ook niet.
Ten slotte zou de verdachte – althans volgens het Openbaar Ministerie – ook na het voorval gezegd hebben dat hij [naam 1] gepakt heeft en dat het hem niet om het geld was te doen, maar om het principe. Deze laatste aanwijzing voor voorbedachte raad betrekt de rechtbank niet bij haar beoordeling, nu uit het dossier niet met zekerheid kan worden afgeleid dat verdachte dit kort na 2 mei 2021 gezegd heeft. De passage uit geluidsfragmenten waarover een getuige ( [naam 7] ) verklaard heeft dat hij daarop de stem van de verdachte herkent, betreft bij nauwkeurige lezing van het dossier niet deze specifieke, zeer belastende uitlating, maar een andere uitlating die niet meer bevat dan dat degene die te horen is uit Heerlen komt.
Tegenover deze aanwijzingen staan echter ook omstandigheden die in de optiek van de rechtbank als contra-indicaties kunnen worden gezien voor het bestaan van voorbedachte raad. Allereerst geldt dat [naam 1] een schuld had bij verdachte en dat deze zijn geld wilde zien. Dat dít de bedoeling was van de ontmoeting op 2 mei 2021 lijkt ook te volgen uit de mededelingen van verdachte aan zijn broer en [medeverdachte 1] op die dag, inhoudende dat [naam 1] geld en/of drugs bij zich zou hebben en dat die van hem zouden moeten worden afgepakt; dat hem kennelijk daarnaast een lesje moest worden geleerd door hem ‘te pakken’, ‘klappen te geven’ of ‘kapot te maken’ wijst niet zonder meer in de richting van een voorgenomen moord.
Voorts ligt het naar het oordeel van de rechtbank bepaald niet voor de hand om minstens zeven personen - en dus minstens zeven potentiële getuigen - op te trommelen, indien het voornemen bestond om [naam 1] van het leven te beroven. Het risico dat een van die personen zijn mond voorbij zou praten en/of een strafrechtelijk relevante verklaring zou afleggen, neemt dan immers recht evenredig toe. Ook het tijdstip en de plaats liggen niet voor de hand als het hier zou gaan om moord; de verdachte volgde [naam 1] kennelijk, had mensen en middelen om [naam 1] in de gaten te houden, had een wapen tot zijn beschikking en had [naam 1]
dusop een “beter” tijdstip en “betere” plaats dan op klaarlichte dag en op een drukke openbare weg van het leven kunnen beroven. Als laatste contra-indicatie noemt de rechtbank het gegeven dat verdachte niet onmiddellijk het vuur op [naam 1] heeft geopend toen deze nog in zijn auto zat of direct nadat hij uit die auto was gestapt, hetgeen in de rede had gelegen indien verdachte van meet af aan [naam 1] had willen doden.
Geen moord
Wanneer dit alles wordt overwogen en gewogen, dan concludeert de rechtbank dat, hoewel niet duidelijk is geworden wat precies de aanleiding is geweest van het besluit van verdachte om ‘uiteindelijk’ op [naam 1] te schieten, onvoldoende is komen vast te staan dat hij dit met voorbedachte raad heeft gedaan. De rechtbank heeft op dit punt te veel twijfels. De verdachte zal daarom van de hem onder feit 1 primair ten laste gelegde moord worden vrijgesproken.
In dit verband zij nog opgemerkt dat de verdediging heeft betoogd dat wél duidelijk is wat de precieze aanleiding voor de verdachte was om op [naam 1] te schieten, namelijk dat hij zijn metgezellen en zichzelf verdedigde. In paragraaf 5 komt de rechtbank daar nog op terug.
4.3.3.Overige overwegingen en conclusies ten aanzien van feit 1 en overwegingen en conclusie ten aanzien van feit 2
Ook van hetgeen onder feit 1 subsidiair ten laste is gelegd zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. Uit het bewijs en de overwegingen van de rechtbank zoals hiervoor weergegeven volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de doodslag vooraf is gegaan door een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf [naam 1] af te persen. De onverhoedse manier van benaderen van [naam 1] door de verdachte en de andere inzittenden van de witte Golf en het dreigen met het vuurwapen waren bedoeld om [naam 1] te dwingen alsnog zijn schuld te voldoen door middel van het afgeven van geld en/of drugs, waarvan verondersteld werd dat hij die bij zich had. De rechtbank stelt op grond van alle gedragingen en de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken immers vast dat de verdachte niet louter uit was op het (aan)spreken van [naam 1] , zoals hij zelf wil doen geloven. Zijn opzet is erop gericht geweest [naam 1] klem te zetten en te laten betalen.
Evenwel kan niet gezegd worden dat het doden van [naam 1] plaatsvond met het oogmerk de afgifte van geld en/of drugs mogelijk te maken of om zich van het bezit van het geld dan wel de drugs te kunnen verzekeren, zoals subsidiair ten laste is gelegd onder feit 1, wat een gekwalificeerde doodslag zou opleveren. Zoals hiervoor vermeld is de rechtbank, los nog van de vraag of sprake was van (putatief) noodweer, niet duidelijk geworden wat nu precies de aanleiding is geweest van het besluit van verdachte om ‘uiteindelijk’ op [naam 1] te schieten. Maar niet is gebleken dat de verdachte [naam 1] heeft gedood om hem geld en/of drugs afhandig te kunnen maken.
De rechtbank zal wel het meer subsidiaire verwijt onder feit 1 bewezen verklaren, te weten dat de verdachte [naam 1] opzettelijk heeft gedood, met dien verstande dat niet gebleken is dat de overige inzittenden van de witte Volkswagen Golf ( [naam 8] [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) aan het doodschieten van [naam 1] een bijdrage hebben geleverd die hen tot medeplegers van doodslag maakt. Hun gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank louter gericht geweest op en dienstbaar geweest aan het kunnen afpersen van [naam 1] , van welk voornemen zij (op het CBS-plein) op de hoogte waren geraakt en waartoe zij met de verdachte waren meegegaan naar de [adres 2] . Niet bewezen kan worden dat hun opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht is geweest op handelingen met een verdere strekking, dan het willen afpersen van [naam 1] .
Ook zal de rechtbank gelet op voornoemde vaststellingen en overwegingen feit 2 bewezen verklaren. De verdachte, [naam 8] [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn, gezamenlijk en nauw samenwerkend, begonnen met de uitvoering van het afpersen van [naam 1] , welke uitvoering niet werd voltooid, maar wel de dood van [naam 1] tot gevolg had. Dit betreft een zogenoemd geobjectiveerd gevolg. Voldoende is dat er een causaal verband is tussen deze poging tot afpersing en het overlijden van [naam 1] . Dat overlijden zullen de daders voor hun rekening moeten nemen.
Hetzelfde geldt voor [medeverdachte 1] . Hij was weliswaar niet op de plaats delict ten tijde van het (schiet)incident, maar zijn rol voorafgaand aan dat incident was van een dermate gewicht dat ook hij als medepleger moet worden gezien van de poging afpersing, de dood tot gevolg hebbend.
4.3.4.De feiten 4, 5 en 6
In paragraaf 3 is reeds aan de orde gekomen dat het Openbaar Ministerie de beschikking heeft gekregen over Sky-ECC-communicatie die belastend zou zijn voor de verdachte. De rechtbank heeft in die paragraaf geoordeeld dat deze communicatie rechtmatig is verkregen en gebruikt kan worden voor het bewijs.
De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is of de verdachte de gebruiker is geweest van de drie Sky-ECC-accounts die aan hem worden toegeschreven: [account 1] , [account 2] en [account 3] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.
In het onderzoek naar de dood van [naam 1] zijn diens telefoons onderzocht. Opvallend is dat het telefoonnummer van de verdachte in een van de telefoons van [naam 1] staat vermeld onder de naam [naam 15] . Dit betreft het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit is ook het telefoonnummer aan de hand waarvan de verplaatsingen van de verdachte en [naam 6] op 2 mei 2021 zijn vastgesteld, alsmede op 16 april 2021, toen de verdachte en [naam 6] in Aken op zoek gingen naar [naam 1] . Ook op 24 en 25 april 2021 blijkt dit telefoonnummer in Aken te zijn. Met dit nummer is tevens, onder andere op 12 en 14 april 2021, naar een telefoon-nummer van [naam 1] gebeld. De lettercombinatie [naam 15] duikt ook op in het onderzoek naar een telefoon van de verdachte waarin drie apps waren geïnstalleerd die gebruikt worden voor het kopen van cryptomunten, waarbij -kennelijk als geheugensteun voor de inloggegevens- als wachtwoord [wachtwoord 1] staat vermeld.
Een telefoon van de verdachte, die in beslag werd genomen bij gelegenheid van zijn aanhouding in zijn woning in [woonplaats] , is via het IMEI-nummer te koppelen aan de communicatie van het Sky-id [account 1] met de naam [naam 15] new. Dit Sky-ECC-account [naam 15] new was in gebruik vanaf 7 januari 2021 tot en met 8 maart 2021. [naam 15] is ook de bijnaam van (de gebruiker van) twee andere Sky-ECC-accounts, die, gelet op de IMEI-nummers gebruikt werden in andere telefoons en het Sky-id [account 2] en [account 3] hadden. Een gebruikt wachtwoord voor dit laatste account bleek weer: [wachtwoord 2] .
De politie heeft vervolgens in een proces-verbaal van bevindingen beschreven waarom men de verdachte met behulp van de inhoud van de communicatie ook aan deze twee accounts kan koppelen. Zo is er een relatie te leggen met de verdachte en een gesprek via Sky-ECC over een vrijwaringsbewijs van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] . Deze auto komt ook voor in het onderzoek naar de dood van [naam 1] : het betreft de grijze Volkswagen Golf waarin de verdachte en [naam 6] zich op 2 mei 2021 verplaatst hebben van Breda naar Heerlen en waarin [medeverdachte 1] en de verdachte reden voordat deze om 17.21 uur overstapte naar de witte Volkswagen Golf. Die grijze Golf werd met ingang van 1 augustus 2020 over-geschreven op naam van de partner van de verdachte. Op die overschrijving heeft de Sky-ECC-communicatie betrekking. Blijkens mutaties van de politie bevond de verdachte zich ook in die auto op 29 oktober 2020 en op 6 maart 2021.
Voorts zijn er Sky-ECC-gesprekken waarin de bijnaam van de verdachte, [bijnaam] , wordt vermeld en is er een gesprek waaruit opgemaakt kan worden dat de gebruiker een broer heeft met de naam [naam 16] . Dat leverde weer een relatie op met een loungebar in Heerlen. Die elementen passen bij het gegeven dat de verdachte een broer heeft met die voornaam en die de uitbater van deze gelegenheid was.
Tot slot zij nog vermeld dat de gebruiker van Sky-ECC-account [account 3] een geluids-fragment heeft verstuurd van 27 seconden: verbalisanten hebben dit fragment vergeleken met opnamen van afgeluisterde telefoongesprekken uit het onderzoek naar de dood van [naam 1] . Zij herkenden de stem van de verdachte.
Kortom: er is voldoende bewijs dat de verdachte de gebruiker is geweest van de betreffende drie Sky-ECC-accounts. Hij heeft overigens ook geen verklaring afgelegd die de rechtbank tot een andere conclusie zou kunnen brengen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte degene is geweest die communiceerde via Sky-ECC in de ongeveer 10.000 ontsleutelde berichten, waarvan een deel in het dossier is opgenomen en die vrijwel uitsluitend betrekking hadden op de handel in verdovende middelen. Te lezen is dat er sprake is van in- en uitvoer van harddrugs: van cocaïne, aangeduid met onder meer “ecuador”, “boli” en “wit”. Ook komt handel in hasj voor in de communicatie en wordt er gesproken over het bereiden van cocaïne. Dát de verdachte in de periode voorafgaand aan de dood van [naam 1] in drugs handelde, is ook door hem zelf erkend, nu hij heeft verklaard dat hij drugs geleverd had aan [naam 1] ter waarde van meer dan € 60.000,-. Ter terechtzitting op 7 mei 2025 bevestigde de verdachte desgevraagd ook dat hij in drugs handelde.
De rechtbank noemt voorts ter illustratie de volgende communicatie:
Berichten die gaan over de onderschepping op Maastricht Aachen Airport van een partij cocaïne op 10 februari 2021. De vlucht waarmee deze partij drugs werd ingevoerd, was omgeleid van Amsterdam naar Maastricht. Het ging om ruim 258 kilo, 250 pakketten cocaïne, afkomstig uit Ecuador. De verdachte, met het Sky-ECC-account [account 1] , vroeg om hulp in relatie tot deze vracht.
Op 16 en 17 juni 2020 bestelde de verdachte blokken, die hem werden aangeboden voor € 27.000,- per stuk. Aangeboden werd “top boli”, cocaïne derhalve. De verdachte gaf aan haast te hebben, omdat hij afnemers had, maar “leeg” was. De verdachte gaf daarbij aan dat er cash betaald zou worden. Uit het vervolg in de communicatie kan worden opgemaakt dat de verdachte in elk geval 1 blok geleverd heeft aan zijn afnemers.
Op 16 juni 2020 is er ook communicatie over “10 liter wit”. De verdachte, met het Sky-ECC-account [account 3] , gaf aan dat hij 10 liter wit had, die een paar Fransen kwamen halen.
Op 18 juni 2020 communiceerde de verdachte over de prijs van “boli”, waarvan de verdachte 20 stuks moest hebben, cash betaald. Op 22 juni 2020 had de verdachte nieuwe handel nodig: “blokken 100 kilo”, omdat in Limburg geen “sannie”, dat wil zeggen geen drugs, meer was.
Op 24 juni 2020 gaf de verdachte aan dat hij in München Duitsers had ontmoet: potentiële klanten, die “20 liter blokken” (cocaïne derhalve) wilden ophalen en dan naar Duitsland wilden brengen.
De verdachte “maakt” ook “witte” en kan aan degene met wie hij communiceert in detail aangeven hoe dat te doen.
Op 22 december 2020 vroeg een Duits contact de verdachte of hij hasj had. De verdachte bevestigde dit en bood ook wit aan en Amnesia (hennep). De verdachte bracht de drugs niet: de ander moest die komen ophalen. De verdachte bood dit contact nog een keer cocaïne aan en stuurde een afbeelding van een blok. De prijs voor een kilo was € 31.000,-.
Op 18 februari 2021 berichtte de verdachte dat hij “kanone hash” binnen had: 140 stuks. Met de wederpartij werd vervolgens een afspraak gemaakt die de volgende dag te leveren. De verdachte zegde tevens toe aan de ander 59k te zullen betalen.
Ook over andere geldtransacties werd er gecommuniceerd. De verdachte verstuurde afbeeldingen van pakketjes geld, onder ander op 17 oktober 2020 en op 3 maart 2021. Tevens stuurde hij afbeeldingen van zogenoemde tokens: bankbiljetten, doorgaans biljetten van € 5, die met behulp van het serienummer dienen als autorisatie voor (niet voor de autoriteiten traceerbare) betalingen in contant geld.
Conclusie
De rechtbank ziet ruim boven het vereiste wettelijke bewijsminimum bewijs dat de verdachte zich structureel heeft ingelaten met de internationale handel in cocaïne en hasj, in de periode van 24 februari 2020, gebaseerd op de periode van gebruik van het Sky-ECC-account [account 2] , tot 2 mei 2021, de datum waarop de verdachte het leven van zijn afnemer [naam 1] beëindigde. De feiten 4 en 5 zal de rechtbank bewezen verklaren in de primaire variant. Het bewijs laat de conclusie toe dat de verdachte niet slechts voorbereidingshandelingen heeft verricht, maar ook voortdurend transacties voltooide en zich bezig hield met het bereiden van cocaïne.
Gelet op de grote hoeveelheden verhandelde drugs en de bedragen die in de Sky-ECC-communicatie voorbij komen, is er ook structureel sprake geweest van witwassen door het voorhanden hebben van uit drugshandel afkomstig geld en dit geld weer over te dragen ten behoeve van vervolgtransacties via ondergronds bankieren.
Aan deze conclusie kan niet afdoen het gegeven waarop de raadsvrouw gewezen heeft, te weten dat er feitelijk nimmer drugs of grote geldbedragen bij de verdachte zijn aangetroffen in de bewezenverklaarde periode. Dat zou er in haar visie toe moeten leiden de Sky-ECC-communicatie als een geheel op zichzelf staand geschrift te beschouwen zonder dat er daarnaast steunbewijs voorhanden is. Dat steunbewijs ziet de rechtbank wel, namelijk in de verklaring ter terechtzitting van de verdachte dat hij in drugs handelde en de vaststelling dat een concrete levering van cocaïne aan de in Duitsland woonachtige [naam 1] tot diens dood heeft geleid. Bovendien stelt de rechtbank op basis van het dossier vast dat via Sky-ECC gesprekken zijn gevoerd met diverse tegencontacten op verschillende data. Ook zijn afbeeldingen verstuurd die de inhoud van de berichten ondersteunen. Verder zijn diverse processen-verbaal van de politie voor het bewijs gebruikt. Er is dus sprake van diverse bewijsmiddelen en verschillende bronnen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer. Verder is het volstrekt onaannemelijk dat iemand gedurende een zeer ruime periode via Sky-ECC intensief over drugs communiceert op een wijze zoals hier geschied, zonder dat er ook maar enige levering en betaling zou hebben plaatsgevonden.