De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de moeder tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man ten aanzien van het minderjarige kind. De moeder en de bijzondere curator stelden dat de man niet de biologische vader is, terwijl de man niet is verschenen ondanks behoorlijke oproeping.
De procedure richtte zich op de toepasselijkheid van het recht en de vraag of het vaderschap ontkend kon worden. De rechtbank oordeelde dat Nederlands recht van toepassing is, ondanks de Eritrese nationaliteit van de moeder en het kind, vanwege het verblijfsrecht van de moeder in Nederland op het moment van geboorte.
Op grond van de feiten, waaronder het langdurige gescheiden leven van de ouders sinds 2015, het ontbreken van contact en de verklaring van de vermeende biologische vader, concludeerde de rechtbank met voldoende zekerheid dat de man niet de biologische vader is. Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap werd daarom toegewezen, waarbij het belang van het kind werd meegewogen om de juridische situatie aan te passen aan de biologische werkelijkheid.