Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
“(…) Het is ons opgevallen dat u herhaaldelijk niet heeft voldaan aan de basisverwachtingen van uw functie. U bent inmiddels meerdere keren te laat gekomen, heeft zonder berichtgeving niet op werkdagen gereageerd en bovendien uw taken niet naar behoren uitgevoerd. Ondanks herhaalde waarschuwingen en gesprekken over de noodzaak van verbetering, heeft u geen substantieel verbetering laten zien in uw werkhouding en prestaties.
“(…)
4.De beoordeling
periodiekebetaling van het loon. De vordering die [verzoekster] op Zengin heeft is een vordering uit hoofde van de eindafrekening die in het kader van de beëindiging van het dienstverband moet worden opgemaakt en (in beginsel) uitbetaald. In die eindafrekening is weliswaar een component die bestaat uit loon begrepen, maar het betreft hier het loon van één maand alsmede het restant aan mogelijke tegoeden op grond van het feit dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De vordering van [verzoekster] ziet dus niet op een periodieke betaling van het loon. Zengin mocht dus zijn gehele vordering op [verzoekster] verrekenen met de eindafrekening, óók voor zover de uit te betalen looncomponent daarmee lager is dan de beslagvrije voet. Dit betekent dat de vordering tot (terug)betaling van het verrekende bedrag aan voorschot moet worden afgewezen.