ECLI:NL:RBLIM:2025:6961

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
16 juli 2025
Zaaknummer
C/03/340571 / FT RK 25/167
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 288 lid 1 sub c FwArt. 7.3.2 bijlage III Landelijk Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbank
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toepassing schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende controle verslaving

Verzoeker heeft op 3 april 2025 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de mondelinge behandeling op 9 juli 2025 verschenen verzoeker, een beschermingsbewindvoerder en een schuldhulpverlener. De rechtbank toetste het verzoek aan de criteria van artikel 288 lid 1 sub c Faillissementswet Pro en het Landelijk Procesreglement.

Verzoeker heeft jarenlang een drugsverslaving gehad, met name aan cocaïne en speed, maar het is onduidelijk wanneer hij precies is gestopt. Hij gaf aan zonder hulp van derden van zijn verslaving af te zijn, hoewel hij nog regelmatig softdrugs gebruikt. De rechtbank vroeg om aanvullende rapportages van betrokken GGZ-instellingen en een verklaring dat de verslaving onder controle is, conform de beoordelingscriteria.

De gevraagde rapportages en verklaringen werden niet ontvangen, behalve een brief van een persoonlijk begeleider van een zorginstelling die meldde dat er momenteel geen sprake is van drugsgebruik, exclusief softdrugs. De rechtbank oordeelde dat verzoeker nog niet voldoet aan de eis dat de verslaving minimaal een jaar onder controle moet zijn en dat dit door een hulpverlener bevestigd moet worden.

De rechtbank benadrukte dat de schuldsaneringsregeling een zwaar saneringstraject is waarbij de belangen van schuldeisers zwaar wegen. Verzoeker werd geadviseerd zijn verslaving aantoonbaar onder controle te houden en een nieuw verzoek met de juiste verklaring in te dienen. Het verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat de verslaving minimaal een jaar onder controle is.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
Toezicht / insolventies
rekestnummer: C/03/340571 / FT RK 25/167
datum vonnis: 29 juli 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] aan de [adres] ,
hierna: verzoeker.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 3 april 2025 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juli 2025. Daarbij zijn verschenen:
- verzoeker;
- [naam beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder
- [naam schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 Faillissementswet Pro (‘Fw’).
2.2.
Bij de beoordeling van de in artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub c Fw bedoelde inschatting, of een schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen, worden volgens het gestelde onder 4.1.3.5 in het Landelijk Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbank, landelijke uniforme beoordelingscriteria gehanteerd zoals in bijlage III van het procesreglement zijn opgenomen.
2.3.
Op grond van art. 7.3.2 van genoemde bijlage III wordt een verzoeker met verslavingsproblemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat de verslaving al enige tijd onder controle is, in die zin dat de verzoeker al enige tijd geen drugs of alcohol meer gebruikt en/of al enige tijd niet meer gokt. De periode waarin de verslaving onder controle dient te zijn, bedraagt in beginsel één jaar. Deze periode kan korter of langer zijn afhankelijk van, onder meer, de ernst en de duur van de verslaving. Dat de verslaving onder controle is, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.
2.4.
Volgens het verzoekschrift is verzoeker jaren verslaafd geweest aan drugs. Ter
zitting heeft verzoeker desgevraagd te kennen gegeven dat het daarbij ging om cocaïne en
(vooral) speed. Wanneer hij daar precies mee is begonnen en wanneer hij er precies mee is
opgehouden (voor het laatst heeft gebruikt), is onduidelijk gebleven.
Naar eigen zeggen is hij zonder hulp van derden van die verslaving afgeraakt. Wel rookt hij
nog regelmatig een jointje, aldus verzoeker.
2.5.
Volgens het zich bij het verzoekschrift gevoegde intakerapport van de
schuldhulpverlener heeft verzoeker in 2024 hulp gehad vanuit de GGZ-instelling Vincent
van Gogh en is sinds januari 2025 Levanto, een zorginstelling, betrokken. Tevens wordt
melding gemaakt van een gedwongen opname in 2018 en een vrijwillige opname in 201 9,
zonder dat daarbij vermeld is waar die opnames hebben plaatsgevonden.
2.6.
Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank verzoeker bij brief van 16 april 2025
om aanvullende informatie van genoemde twee instanties gevraagd, en zijn de rapportages
in verband met de opnames in 2018 en 2019 opgevraagd. Tegelijkertijd is verzocht om een
verklaring als bedoeld in artikel 7.3.2 van genoemde bijlage III over te leggen.
2.7.
Rapportages aangaande de opnames in 2018 en 2019 zijn door de rechtbank niet
ontvangen. Datzelfde geldt voor een verklaring als bedoeld in artikel 7.3.2 van genoemde
bijlage III, alsmede voor de verzochte rapportage(s) van de zijde van de GGZ-instelling
Vincent Van Gogh.
2.8.
Het enige wat via de beschermingsbewindvoerder in dit kader wel nog als
aanvullend stuk is ingekomen, is een brief van de persoonlijk begeleider van verzoeker van
de Levanto-groep, [naam] , d.d. 13 mei 2025. Daarin staat aangaande de
drugsverslaving enkel vermeld dat er ‘momenteel’ geen sprake is van drugsgebruik, waarbij
dan het gebruik van softdrugs (de jointjes) kennelijk buiten beschouwing wordt gelaten.
2.9.
Voor de rechtbank is duidelijk dat verzoeker op de goede weg is, zeker als wordt
gekeken naar waar hij vandaan komt. Maar dat is nog niet genoeg voor verzoeker om nu al
te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Verzoeker voldoet gewoon op dit
moment nog niet aan de criteria die de wet en het landelijk procesreglement daaraan stellen.
Op dit moment is nog niet aannemelijk dat verzoeker al een jaar geen drugs meer gebruikt,
dat de verslaving onder controle is en dat een hulpverlenende instantie dat ook voor die
periode van dat jaar kan bevestigen. Wat er aan bewijsmateriaal ligt, is alleen de brief van
Levanto, die pas sinds januari 2025 verzoeker begeleidt. Dat is te weinig.
2.10.
De rechtbank wijst er voor alle duidelijkheid nog eens op dat het bij de Wsnp niet
in eerste instantie gaat om een hulpverleningstraject, om alleen maar het belang van een
verzoeker die van zijn of haar schulden af wil komen, maar om een hard en zwaar
saneringstraject, waarbij schuldeisers - die vaak na een Wsnp-traject maar een fractie van
hun vordering nog terugkrijgen, voor het restant geeft de rechtbank aan een verzoeker dan
“de schone lei” - mogen verwachten dat de rechtbank ten behoeve van hun belangen de
toelatingscriteria in elk geval scherp in de gaten houdt.
2.11.
Verzoeker moet doorgaan op de goede weg. Dat is het vrijblijvend advies van de
rechtbank. Indien hij zijn verslaving - aantoonbaar - onder controle weet te houden, zal een
nieuw verzoek, vergezeld van een verklaring van een hulpverlener als hiervoor onder 2.3
bedoeld, meer kans van slagen hebben.

3.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juli 2025 in aanwezigheid van mr. R.H. Kessels, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.