Stichting Zuyd Hogeschool vordert betaling van openstaand collegegeld voor het studiejaar 2023-2024 van [gedaagde], die zich voor de opleiding had ingeschreven maar niet betaalde. De vordering omvat hoofdsom, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] erkent slechts de termijn van maart 2024 en voert verweer tegen overige onderdelen.
De kantonrechter oordeelt dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten waarbij [gedaagde] verplicht is collegegeld te betalen. De algemene voorwaarden van de hogeschool zijn van toepassing, maar het beding over buitengerechtelijke incassokosten wordt vernietigd wegens oneerlijkheid omdat het niet begrensd is in omvang.
De hoofdsom en rente worden toegewezen omdat [gedaagde] onvoldoende bewijs levert voor betaling van de termijn april 2024. Het beroep op overmacht faalt omdat betalingsverplichting niet wordt opgeheven door persoonlijke omstandigheden. De proceskosten worden beperkt toegewezen, waarbij een coulancevoorstel van Stichting Zuyd Hogeschool wordt meegenomen.
Het vonnis veroordeelt [gedaagde] tot betaling van €231,40 plus rente en €123 aan proceskosten, wijst buitengerechtelijke incassokosten af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.