Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Dienst Toeslagen over haar herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiseres het griffierecht niet binnen de gestelde termijn heeft betaald en omdat de Dienst Toeslagen al eerder een definitief besluit had genomen.
Eiseres had de Dienst Toeslagen in oktober 2022 in gebreke gesteld en ontving daarop een wettelijke dwangsom van €1.442,-. Zij stelde dat zij een hogere dwangsom van €15.000,- verwachtte, zoals zij in de media had gelezen, maar was niet bekend met de mogelijkheid om eerder beroep in te stellen. De rechtbank legt uit dat de wettelijke dwangsom een maximum kent van €1.442,-, terwijl een rechterlijke dwangsom, die alleen kan worden opgelegd bij een lopend beroep, een hoger bedrag kan zijn.
De rechtbank benadrukt dat een rechterlijke dwangsom niet met terugwerkende kracht kan worden opgelegd en dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het besluit al op 1 mei 2024 was genomen, ruim voor het beroep op 10 januari 2025. Het griffierecht werd pas na de betaaltermijn voldaan, wat eveneens tot niet-ontvankelijkheid leidt.
De rechtbank wijst erop dat eiseres geen vergoeding krijgt voor gemaakte kosten en dat het griffierecht automatisch is terugbetaald vanwege de late betaling. De uitspraak is gedaan door rechter G. Leijten op 25 juli 2025.