ECLI:NL:RBLIM:2025:7935

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
13 augustus 2025
Zaaknummer
11186134 \ CV EXPL 24-3260
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:170 BWArt. 6:119 BWArt. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid vrachtwagenchauffeur voor schade door onveilig afslaan op smalle weg

Op 10 mei 2023 ontstond een aanrijding tussen een personenauto van eiser en een vrachtwagencombinatie van gedaagde op de Bautscherweg te Heerlen. De vrachtwagenchauffeur sloeg rechtsaf terwijl de Volvo van eiser hem tegemoet kwam, waardoor de oplegger de auto raakte en schade veroorzaakte.

Eiser vordert vergoeding van de schade ad €10.375,41, vermeerderd met rente en kosten, op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro) en werkgeversaansprakelijkheid (art. 6:170 BW Pro). Gedaagde voert verweer en stelt dat eiser zelf aansprakelijk is wegens inschattingsfout en onvoldoende schadeonderbouwing.

De kantonrechter stelt vast dat de vrachtwagenchauffeur een fout maakte door de afslag te vroeg in te zetten terwijl de tegemoetkomende auto nog passeerde, en dat dit onrechtmatig is. De fout is toe te rekenen aan gedaagde als werkgever. De schade is voldoende onderbouwd met factuur en foto’s. De vordering van eiser wordt toegewezen, de vordering van gedaagde afgewezen.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, wettelijke rente vanaf de dag van het ongeval en proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers op 6 augustus 2025.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €10.375,41 schadevergoeding aan eiser wegens onrechtmatig handelen van zijn werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11186134 \ CV EXPL 24-3260
Vonnis van 6 augustus 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W.B.M. Vondenhoff,
tegen
[gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J. Bartman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 10
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 6
- de conclusie van repliek tevens antwoord in reconventie met producties 11 t/m 13
- de conclusie van dupliek tevens repliek in reconventie met producties 7 en 8
- conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] rijdt op 10 mei 2023 met zijn gezin in zijn personenauto – een Volvo XC60 met kenteken [kenteken 1] – over de Bautscherweg te Heerlen. Een vrachtwagen met oplegger van [gedaagde] met kenteken [kenteken 2] , bestuurd door [bestuurder] ( [bestuurder] ), werknemer van [gedaagde] , komt [eiser] tegemoet. [bestuurder] maakt vervolgens een bocht naar rechts, de Hambeukerboord in. Hierbij zwenkt de achterkant van de vrachtwagen uit en komt in aanraking met de Volvo van [eiser] . Zowel de Volvo als vrachtwagen is hierdoor beschadigd.
2.2.
De verzekeraar van [eiser] heeft de verzekeraar van [gedaagde] aansprakelijk gesteld, maar laatstgenoemde verzekeraar heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 10.375,41, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
[gedaagde] vordert veroordeling van [eiser] tot betaling van € 1.159,18, te vermeerderen met rente en kosten. [eiser] voert verweer en betoogt dat de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen.
3.4.
[eiser] is van mening dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade op grond van artikel 6:162 BW Pro omdat [bestuurder] (als werknemer van [gedaagde] ) niet had moeten afslaan en had moeten wachten tot [eiser] de vrachtwagen voorbij was gereden. [gedaagde] is van mening dat [eiser] een inschattingsfout heeft gemaakt en dat [eiser] juist aansprakelijk is voor de schade aan de vrachtwagen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro is vereist dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] , waardoor [eiser] schade heeft geleden. De onrechtmatige handeling kan zijn een inbreuk op een recht, een handelen in strijd met de wet of een handelen in strijd met een maatschappelijke plicht.
4.2.
In artikel 6:170 BW Pro is bepaald dat voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk is, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.
4.3.
De kantonrechter zal eerst beoordelen of [bestuurder] een fout heeft gemaakt in het verkeer. Vervolgens zal de kantonrechter beoordelen of [gedaagde] op grond van artikel 6:170 BW Pro aansprakelijk is.
4.4.
[eiser] stelt dat de vrachtwagen, op het moment dat deze [eiser] tegemoetkwam, niet in het midden van de weg reed en er voldoende ruimte was om deze te passeren. [eiser] stelt dat de vrachtwagen pas naar rechts afsloeg, op het moment dat [eiser] deze passeerde. Door de afslaande beweging naar rechts overschreed de oplegger van de vrachtwagen de middenas van de weg. [eiser] kon niet meer uitwijken en hierdoor raakte de achterzijde van de oplegger de zijkant van de Volvo van [eiser] . [bestuurder] had rekening moeten houden met de draaicirkel van de vrachtwagencombinatie en het zwenken van de achterzijde daarvan. Door dit niet te doen, heeft hij een inschattingsfout gemaakt en onrechtmatig gehandeld.
4.5.
[gedaagde] stelt dat [bestuurder] zijn knipperlicht aan de rechterzijde ontstak en dat [eiser] zich op dat moment nog op geruime afstand bevond. [bestuurder] ging ervan uit dat de hem tegemoetkomende Volvobestuurder - [eiser] - de verkeerssituatie goed zou inschatten en rekening zou houden met het uitzwenken van de vrachtwagen bij het maken van de bocht. [bestuurder] heeft vervolgens de bocht gemaakt naar rechts. Op het moment van de botsing bevond de vrachtwagen zich reeds in de Hambeukerboord. [eiser] reed pas naast de vrachtwagen toen deze de bocht al had genomen. [bestuurder] had geen zicht meer op de Volvo. [eiser] had rekening moeten houden met het uitzwenken van de vrachtwagencombinatie, maar heeft dat niet gedaan door deze te passeren. [eiser] had zijn snelheid moeten aanpassen of zijn voertuig tot stilstand moeten brengen tot dat de vrachtwagencombinatie zich niet langer op de rijbaan van [eiser] bevond. Zelfs indien de Volvo zich op het moment van afslaan van de vrachtwagen naast de vrachtwagen bevond, had het volgens [gedaagde] op de weg van [eiser] gelegen om te wachten tot de vrachtwagen klaar was met zijn manoeuvre, dan wel snelheid te minderen.
4.6.
Niet in geschil is dat de chauffeur van vrachtwagencombinatie een bijzondere verrichting uitvoerde - namelijk het naar rechts afbuigen - terwijl [eiser] enkel de weg rechtdoor vervolgde. Ook is niet in geschil dat de vrachtwagencombinatie als gevolg van de naar rechts afslaande beweging zich met de achterzijde gedeeltelijk op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer bevond. Naar het oordeel van de kantonrechter had de chauffeur van de vrachtwagencombinatie moeten wachten met het inzetten van de afslaande beweging tot het moment dat daartoe voldoende tijd en ruimte was. Het is immers de verantwoordelijkheid van de vrachtwagenchauffeur om op het moment dat hij wil afslaan in te schatten of hij die verrichting veilig kan uitvoeren, gelet op de verkeerssituatie en rekening houdend met de omvang en lengte van de combinatie. Niet in geschil is dat [bestuurder] de hem tegemoetkomende Volvo heeft gezien (randnummer 4 conclusie van antwoord in conventie). Dit had voor de chauffeur van de vrachtwagencombinatie aanleiding moeten zijn om te wachten met afslaan, zodat [eiser] de vrachtwagencombinatie veilig kon passeren. Hierbij betrekt de kantonrechter dat [bestuurder] beroepsmatig vrachtwagenchauffeur is en bij uitstek degene is die het beste kan inschatten of hij een bepaalde manoeuvre veilig kan uitvoeren of niet. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het [bestuurder] is geweest die een inschattingsfout heeft gemaakt. Hetgeen [gedaagde] daartegen in brengt slaagt niet.
4.7.
[gedaagde] voert aan dat [eiser] , in een gesprek na het ongeval met [bestuurder] , heeft gezegd dat hij haast had en pas bij nader inzien zag dat het niet ging lukken om te passeren, maar zijn snelheid op dat moment te hoog was om op tijd tot stilstand te komen. [eiser] heeft betwist te hebben gezegd dat hij haast had. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet van doorslaggevend belang of [eiser] haast had of niet. [eiser] heeft zich immers aan de toegestane snelheid gehouden (randnummer 10 conclusie van dupliek conventie). [bestuurder] had er rekening mee moeten houden of hij de draaiing kon inzetten, rekening houdend met de snelheden van de overige verkeersdeelnemers.
4.8.
Het betoog van [gedaagde] dat de vrachtwagen de manoeuvre had ingezet en dat [eiser] niet reeds naast de vrachtwagen reed op het moment dat de vrachtwagen wilde afslaan, leidt gelet op hetgeen onder 4.6 is overwogen niet tot een ander oordeel. Verder is het uitzwenken van de vrachtwagencombinatie een gevolg van de door de chauffeur van de vrachtwagen gemaakte manoeuvre. Ook doet niet ter zake dat [eiser] op enig moment buiten het gezichtsveld van [bestuurder] was geraakt (doordat de vrachtwagen zich met de voorzijde op enig moment in de Hambeukersboord bevond). Feit is dat [bestuurder] de Volvo heeft zien aankomen voordat hij naar rechts afboog; [bestuurder] had moeten wachten, niet [eiser] .
4.9.
[gedaagde] voert aan dat het afremmen of tot stilstand komen van vrachtwagen de botsing en schade niet zou hebben voorkomen en dat daarom het causaal verband tussen de gedragingen van [bestuurder] en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt. Deze redenering volgt de kantonrechter niet, omdat de inschattingsfout van [bestuurder] juist is gemaakt vóór het maken van de draaiing. Dat de Bautscherweg volgens [gedaagde] een smalle weg is, had [bestuurder] in zijn hoedanigheid van professioneel vrachtwagenchauffeur, moeten nopen tot extra voorzichtigheid.
4.10.
De kantonrechter is kortom van oordeel dat de inschattingsfout [bestuurder] kan worden toegerekend. Deze fout bestond uit het maken van een bocht op een moment dat de Volvo van [eiser] hem tegemoet kwam. [bestuurder] had als beroepsmatig chauffeur de kennis en kunde dat zijn vrachtwagencombinatie deels op de andere weghelft terecht zou komen en hierdoor het tegemoetkomend verkeer zou hinderen. Door desondanks de bocht in te zetten heeft [bestuurder] in strijd gehandeld met artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 en artikel 19 Reglement Pro verkeersregels en verkeerstekens. De onrechtmatige gedraging valt [bestuurder] toe te rekenen. [eiser] reed immers met een normale snelheid en gebleken is dat hij de combinatie niet voorbij kon rijden zonder daarmee in aanraking te komen. Dat [eiser] roekeloos zou hebben gereden volgt niet uit de feiten zoals die zijn komen vast te staan.
4.11.
Nu is niet [bestuurder] aangesproken, maar [gedaagde] . Niet in geschil is dat [bestuurder] ten tijde van het ongeval in dienst van [gedaagde] zijn taak – de af te leggen route – vervulde. Aan de overige voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 6:170 lid 1 BW Pro is naar het oordeel van de kantonrechter ook voldaan.
4.12.
[gedaagde] voert aan dat [eiser] de gestelde schade in onvoldoende mate heeft onderbouwd. Zo heeft [eiser] volgens [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat de Volvo daadwerkelijk is gerepareerd, of in ieder geval het factuurbedrag even hoog was als de gestelde schade en of dat dit bedrag daadwerkelijk is betaald. Ook heeft [eiser] volgens [gedaagde] in onvoldoende mate aangetoond dat hij heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht.
4.13.
[eiser] heeft de door hem gestelde schade van € 10.375,41 onderbouwd met een gespecificeerde schadecalculatie, foto’s van de Volvo waarop te zien is dat deze aan de gehele linkerzijkant is beschadigd en een (bij de conclusie van repliek overgelegde) factuur van € 10.375,41 van Heuvelland Schadeherstel van 3 augustus 2023. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] de hoogte van de schade in voldoende mate onderbouwd. De kantonrechter ziet gaan aanleiding om te veronderstellen dat het schadebedrag onredelijk hoog is. Dat Autoschade de Fremme de schade lager heeft ingeschat leidt de kantonrechter niet tot een andersluidend conclusie. Dat was immers een globale inschatting. [gedaagde] zelf heeft geen tegenexpertise laten verrichten.
4.14.
Aan het geven van een bewijsopdracht aan een der partijen komt de kantonrechter niet toe, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Het aanbod om tegenbewijs te leveren van [gedaagde] is naar het oordeel van de kantonrechter bovendien onvoldoende concreet, waarbij [gedaagde] nalaat aan te bieden degene die rechtstreeks bij het ongeval was betrokken – [bestuurder] – als getuige te doen horen.
4.15.
Dit betekent dat de vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 10.375,41 zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van 10 mei 2023. Het betreft hier immers een zaakschade die geacht kan worden op het moment van de beschadiging te zijn geleden, terwijl het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad.
In reconventie
4.16.
Het bedrag dat [gedaagde] van [eiser] vordert ziet op de gestelde schade aan de vrachtwagen als gevolg van het ongeval. Uit de overwegingen in conventie vloeit voort dat en waarom deze vordering zal worden afgewezen.
Proceskosten
In conventie
4.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
140,09
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.335,09
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
4.19.
[gedaagde] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten van € 135,- (2 x 0,5 punt van € 135,-) worden veroordeeld.

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.375,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.335,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
In reconventie
5.4.
wijst de vordering af,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 135,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
In conventie en reconventie
5.6.
verklaart de veroordelingen onder 5.1 t/m 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op
6 augustus 2025.
BM