Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.SUPPLINK B.V.,
2.
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord en de daarbij overgelegde productie,
- de brief van 18 september 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De feiten
3.Het geschil
- primair een bedrag van $ 1.895.079,42 ter zake de gelden die aan Supplink zijn (vooruit) betaald maar door Supplink niet zijn terugbetaald, voor welke terugbetaling van $ 1.895.079,42 [gedaagde sub 2] op basis van een onrechtmatige daad eveneens hoofdelijk aansprakelijk is. Subsidiair (ten aanzien van Supplink) een aanvullend bedrag van $ 171.929,57 naast het reeds bij arrest van het hof toegekende bedrag. Dit te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, dan wel de wettelijke rente in het geval van [gedaagde sub 2] , vanaf 15 september 2017, over het bedrag van $ 1.895.079,42;
- een bedrag van $ 343.270,48 ter zake misgelopen winst, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 8 mei 2017 en
- veroordeling van [gedaagde sub 2] tot betaling van een bedrag van € 196.363,26 wegens valutaschade.
4.De beoordeling
€ 196.363,26 heeft [gedaagde sub 2] niet betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen.
$ 343.270,48 en de wettelijke rente daarover toe vanaf 8 mei 2017.