AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding wegens niet-nakoming en onrechtmatig handelen in handelsgeschil
Digitek Computer Products B.V. heeft een procedure gevoerd tegen Supplink B.V. en [gedaagde sub 2] wegens niet-nakoming van overeenkomsten en onrechtmatig handelen. Supplink leverde de bestelde cartridges niet, ondanks betaling door Digitek, terwijl Supplink zelf ook niet betaalde voor geleverde goederen. [gedaagde sub 2] was als bemiddelaar betrokken en tevens enig aandeelhouder van een tussenpersoon.
Het hof had in een eerder arrest Supplink en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoeding, waarbij de omvang van de schade in een schadestaatprocedure moest worden vastgesteld. In deze procedure heeft de rechtbank de schade vastgesteld en Supplink en [gedaagde sub 2] veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van $1.895.079,42, een aanvullend bedrag van $171.929,57, misgelopen winst van $343.270,48, en valutaschade van €196.363,26.
De rechtbank wees ook de gevorderde wettelijke rente toe en stelde vast dat Supplink en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn, zodat betaling door één partij de ander bevrijdt. Supplink is niet verschenen, [gedaagde sub 2] voerde verweer, maar werd grotendeels in het ongelijk gesteld. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wees het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Rechtbank veroordeelt Supplink en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van schadevergoeding, rente en proceskosten aan Digitek wegens niet-nakoming en onrechtmatig handelen.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/330817 / HA ZA 24-238
Vonnis van 11 juni 2025
in de zaak van
DIGITEK COMPUTER PRODUCTS B.V.,
te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: Digitek,
advocaat: mr. J.J.C. Delahaye,
tegen
1.SUPPLINK B.V.,
te Rijswijk,
niet verschenen, 2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.Th.P. van Voorst,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: Supplink en [gedaagde sub 2] .
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties A tot en met H, - de conclusie van antwoord en de daarbij overgelegde productie, - de brief van 18 september 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 februari 2025 en de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van partijen,
- de verwijzing naar de rol voor uitlating partijen over de voortgang van de procedure,
- het verzoek van Digitek tot het wijzen van vonnis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
Digitek is een groothandel in computers, randapparatuur en software.
Supplink is onder meer een groothandel in computer- en kantoorbenodigdheden en printersupplies. Digitek en Supplink hebben jarenlang zaken met elkaar gedaan. Partijen kochten over en weer zaken bij elkaar in.
2.2.
Supplink kocht zaken die Digitek bij haar bestelde in bij Metac World FZE (hierna: Metac). Metac kocht in bij Jacky’s Gulf FZE te Dubai (hierna: Jacky’s). De transacties tussen Digitek en Supplink zijn steeds door bemiddeling van [gedaagde sub 2] tot stand gekomen. [gedaagde sub 2] is enig aandeelhouder van Metac.
2.3.
Bij overeenkomsten van 19 december 2016 (hierna: overeenkomst 1), 9 januari 2017 (hierna: overeenkomst 2) en 25 januari 2017 (hierna: overeenkomst 3) heeft Digitek bij Supplink bestellingen geplaatst voor inkt- en tonercartridges (hierna: cartridges). Voor deze drie overeenkomsten is door Supplink een totaalbedrag van $ 5.055.529, 91 in rekening gebracht, waarvan Digitek in totaal een bedrag van $ 3.545.044,42 heeft betaald aan Supplink. De bij overeenkomsten 1 en 2 bestelde zaken zouden tussen 31 januari en 7 maart 2017 geleverd worden. Digitek heeft de cartridges nooit ontvangen. Zes containers met een deel van de cartridges zijn wel in de Rotterdamse haven aangekomen, maar niet vrijgegeven door de feitelijke leverancier van de zaken Jacky’s. omdat Metac niet had betaald. Metac kon Jacky’s niet betalen, omdat de gelden die zij van Supplink had ontvangen zijn gebruikt voor een investering van (een andere vennootschap van) [gedaagde sub 2] in een vastgoedproject en niet tijdig zijn vrijgekomen.
2.4.
In januari 2017 zijn door Digitek aan Supplink zaken verkocht voor een bedrag van € 474.125,15 (inclusief btw). Digitek heeft Supplink diverse sommaties gestuurd, maar het hiervoor genoemde bedrag is door Supplink niet betaald.
2.5.
Naar aanleiding van het voorgaande is door Digitek in een procedure bij de rechtbank Limburg van Supplink betaling gevorderd van het bedrag dat zij heeft voldaan voor de niet geleverde zaken ($ 3.545.044,42) en betaling van de aan Supplink geleverde zaken waarvan betaling uitbleef (€ 474.125,15). Supplink heeft een bedrag van
€ 2.000.000,- aan Digitek betaald nadat de procedure aanhangig was gemaakt.
2.6.
De rechtbank heeft op 22 januari 2020 (eind)vonnis gewezen. Tegen dit vonnis van de rechtbank is hoger beroep ingesteld, dat heeft geresulteerd in het arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: het hof) van 27 september 2022.
2.6.1.
Het hof heeft in dat arrest ten aanzien van de betaling van het bedrag van € 2.000.000,- overwogen in rechtsoverweging 3.5.7 en 3.5.8:
“3.5.7. De rechtbank heeft in overweging 9.1 van het beroepen vonnis overwogen dat Digitek heeft gesteld de door Supplink voorgestelde imputatie te volgen (pag. 7, tweede
alinea, akte 20 december 2017 van Digitek). Dit betekent dat de door Digitek aan Supplink
verkochte zaken voor € 474.125,15 inmiddels zijn betaald (zie “(b)” op pag. 7 van de
genoemde akte van Digitek), zodat voorbij kan worden gegaan aan de gang van zaken
omtrent deze transactie, aldus de rechtbank. Grief 3 van Digitek is tegen dit oordeel gericht.
3.5.8.
Deze grief slaagt. Weliswaar lijkt Digitek in de door rechtbank genoemde passages
de toerekening van Supplink te hebben geaccepteerd, maar in de toelichting op deze grief
wijst Digitek er terecht op dat zij in de desbetreffende akte heeft aangegeven dat de wijze
van toerekening van Supplink onjuist is, doch zij daar gemakshalve van uitging (pag. 8 van
genoemde akte, tweede alinea), met andere woorden dat zij daarmee niet ingestemd heeft.
Het hof volgt Digitek in dat standpunt. Digitek beroept zich verder in haar toelichting op
deze grief op de imputatieregeling van artikel 6:43 enPro 6:44 BW. Zoals Digitek terecht
opmerkt, betekent dit dat een betaling van een geldsom eerst in mindering van de kosten
strekt, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de
hoofdsom en lopende rente. Dit betekent dat hetgeen uiteindelijk nog aan deze facturen
voldaan dient te worden hoger is en deze dus niet volledig voldaan zijn. Kennelijk bedoelt
Digitek, zo begrijpt het hof, dat het toegewezen bedrag van $1.723.149,85 niet juist is. Zij
verbindt daar echter geen consequenties aan, althans heeft zij niet nader toegelicht hoe hoog dat bedrag dan zou moeten zijn. Nu er toch nog een schadestaat volgt, gaat het hof ervanuit dat Digitek en Supplink dit in de schadestaat zullen meenemen. Het hof ziet daarom, ondanks het slagen van deze grief, geen aanleiding het dictum van het vonnis op dit punt te vernietigen.”
2.6.2.
Ten aanzien van [gedaagde sub 2] komt het hof in haar arrest tot het oordeel dat [gedaagde sub 2] de op hem als bemiddelaar persoonlijk rustende zorgplicht jegens Digitek heeft geschonden. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens Digitek heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daarvoor geleden schade van Digitek, aldus het hof in rechtsoverweging 3.7.5.
2.6.3.
In het dictum van het arrest van het hof is ten aanzien van Supplink het volgende oordeel opgenomen:
“Ia verklaart voor recht dat Supplink tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst d.d. 19 december 2016 (overeenkomst 1), welke blijkt uit de inkooporder van Digitek en verkoopfactuur van Supplink, die aangehecht zijn als respectievelijk productie 1.3E en productie 1.3F bij de dagvaarding en dat Supplink ter zake daarvan, voor zover vereist, in verzuim is sedert 31 maart 2017;
Ib verklaart voor recht dat Supplink tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst d.d. 9 januari 2017 (overeenkomst 2), welke blijkt uit de inkooporder van Digitek en verkoopfactuur van Supplink, die aangehecht zijn als respectievelijk productie 1.4C en productie 1.4D bij de dagvaarding en dat zij ter zake daarvan, voor zover vereist, in verzuim is sedert 10 februari 2017;
Ic verklaart voor recht dat Supplink te kort is geschoten in de nakoming van de
overeenkomst d.d. 25 januari 2017 (overeenkomst 3), welke blijkt uit de inkooporder van
Digitek en verkoopfactuur van Supplink, die aangehecht zijn als respectievelijk productie
1.5C en productie 1.5D bij de dagvaarding en dat zij terzake daarvan, voor zover vereist, is
verzuim is sedert 8 maart 2017;
II verklaart voor recht dat de drie overeenkomsten, die zijn gesloten tussen Supplink en
Digitek, zoals die blijken uit productie 1.3E en productie I.3F (overeenkomst l d.d. 19
december 2016), productie 1.4C en productie 1.4D (overeenkomst 2 d.d. 9 januari 2017) en
productie 1.5C en productie 1.5D (overeenkomst 3 d.d. 25 januari 2017) per 27 juni 2027
buitengerechtelijk ontbonden zijn door Digitek;
III. veroordeelt Supplink om binnen drie dagen na betekening van het vonnis van 22 januari
2020, tegen behoorlijk bewijs van kwijting (terug) te betalen aan Digitek $ 1.723.149,85, te
vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW,
vanaf:
over $ 2.245.159,62 sedert 31 maart 2017 tot 15 september 2017;
over $ 1.723.149,85 sedert 15 september 2017 tot de dag der algehele voldoening;
over $ 497.476,47 sedert 10 februari 2017 tot 15 september 2017;
over $ 802.408,33 sedert 8 maart 2017 tot 15 september 2017;
IVa veroordeelt Supplink om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Digitek te betalen de wettelijke handelsrente over
€ 474.125.15 vanaf 27 februari 2017 tot 15 september 2017;
Va verklaart voor recht dat Supplink jegens Digitek aansprakelijk is voor alle schade die
voort is gevloeid en nog zal voortvloeien uit de tekortkomingen als bedoeld onder la t/m Ic
hiervoor alsmede schadeplichtig is ter zake van het niet tijdig betalen van het bedrag als
genoemd onder punt IVa hiervoor;
VIa veroordeelt Supplink tot vergoeding van de door Digitek geleden en nog te lijden schade als gevolg van de tekortkomingen zijdens Supplink, nader op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet;
VIb veroordeelt Supplink aan Digitek te betalen als valutaschade € 196.393,26;
(…)”
2.6.4.
Ten aanzien van [gedaagde sub 2] is het volgende opgenomen in het dictum van het arrest van het hof:
“Vb verklaart voor recht dat [gedaagde sub 2] jegens Digitek onrechtmatig heeft gehandeld en
aansprakelijk is voor alle schade die daaruit is voortgevloeid en nog zal voortvloeien;
(...)”
2.6.5.
Ten aanzien van Supplink en [gedaagde sub 2] :
“VIa veroordeelt Supplink en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn
bevrijd, tot vergoeding van de door Digitek geleden en nog te lijden schade als gevolg van de tekortkomingen (van Supplink) respectievelijk onrechtmatig handelen (van [gedaagde sub 2] ), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
(...)”
2.7.
Digitek heeft het hof verzocht om aanvulling van het arrest, omdat volgens haar is verzuimd ten aanzien van [gedaagde sub 2] te beslissen over een onderdeel van het gevorderde, te weten het bedrag van $ 1.723.149,85 en het bedrag van € 196.393,26. Het verzoek is door het hof afgewezen met de volgende overweging:
“In het arrest van 27 september 2022 heeft het hof geoordeeld dat [gedaagde sub 2] op grond van onrechtmatige daad jegens Digitek aansprakelijk is. Zowel de vordering tot betaling van $ 1.723.149,85 als de vordering tot betaling van € 196.393,26 hebben een contractuele grondslag. Om die reden is [gedaagde sub 2] niet zoals gevorderd hoofdelijk veroordeeld tot betaling van deze bedragen. In de schadestaatprocedure zal moeten worden vastgesteld wat de hoogte van de schade is die aan het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] kan worden toegerekend.”
2.8.
Door [gedaagde sub 2] is tot op heden niets betaald.
3.Het geschil
3.1.
Digitek vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van Supplink en [gedaagde sub 2] tot betaling van de bedragen zoals genoemd in de schadestaat die door haar bij de dagvaarding is gevoegd, vermeerderd met rente en kosten.
In deze schadestaat zijn de volgende schadeposten opgenomen:
primair een bedrag van $ 1.895.079,42 ter zake de gelden die aan Supplink zijn (vooruit) betaald maar door Supplink niet zijn terugbetaald, voor welke terugbetaling van $ 1.895.079,42 [gedaagde sub 2] op basis van een onrechtmatige daad eveneens hoofdelijk aansprakelijk is. Subsidiair (ten aanzien van Supplink) een aanvullend bedrag van $ 171.929,57 naast het reeds bij arrest van het hof toegekende bedrag. Dit te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, dan wel de wettelijke rente in het geval van [gedaagde sub 2] , vanaf 15 september 2017, over het bedrag van $ 1.895.079,42;
een bedrag van $ 343.270,48 ter zake misgelopen winst, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 8 mei 2017 en
veroordeling van [gedaagde sub 2] tot betaling van een bedrag van € 196.363,26 wegens valutaschade.
3.2.
Supplink is in deze procedure niet verschenen. [gedaagde sub 2] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
Ten aanzien van Supplink
4.1.
Aangezien Supplink niet is verschenen in de schadestaatprocedure zijn de vorderingen van Digitek ten aanzien van Supplink niet betwist.
Nog te betalen bedragen uit hoofde van de overeenkomsten
4.2.
Op 15 september 2017 is door Supplink een bedrag van € 2.000.000,- voldaan aan Digitek. In de procedure bij de rechtbank is in aanvulling daarop een bedrag van $ 1.723.149,85 toegewezen, waarbij de door Supplink voorgestelde imputatie is gevolgd. Door Digitek is hiertegen gegriefd bij het hof, omdat zij niet heeft ingestemd met deze toerekening en door haar geen afstand is gedaan van het meerdere aan schade boven het bedrag van $ 1.723.149,85. In de hierboven weergegeven rechtsoverweging 3.5.8 van het arrest van 27 september 2022 is het hof tot het oordeel gekomen dat deze grief slaagt. In de onderhavige procedure is door de rechtbank bij de behandeling ter zitting van 20 februari 2025 vastgesteld dat zowel de rechtbank als Digitek en [gedaagde sub 2] dezelfde uitleg geven aan hetgeen in rechtsoverweging 3.5.8 van het arrest van het hof is overwogen, namelijk dat het meerdere aan schade (na juiste toerekening van de betaling van Supplink) in de schadestaat gevorderd moet worden.
4.3.
Digitek vordert in deze schadestaatprocedure van Supplink betaling van het resterende terug te betalen bedrag dat $ 1.895.079,42 bedraagt. Deze vordering komt in de plaats van hetgeen al door het hof is toegewezen. Subsidiair vordert Digitek een titel voor een aanvullend bedrag van $ 171.929,57 dat door Digitek is berekend en nog niet is toegewezen door het hof. In de randnummers 4.4 en 4.5 van de dagvaarding heeft Digitek voorgerekend dat Supplink nog veroordeeld moet worden tot betaling van $ 171.929,57). Dat is het bedrag dat resteert na toepassing van de wettelijke toerekeningsregeling van artikel 6:44 BWPro op de totaal terug te betalen som:
$ 3.545.044,42
+
(overeenkomsten 1 tot en met 3)
€ 474.125,15
+
(aan Supplink verkochte goederen)
€ 2.000.000,00
-
(door Supplink voldaan op 15 september 2017)
$ 171.929,57
4.4.
Nu de hiervoor bedoelde berekening door Supplink niet is betwist en de rechtbank de subsidiaire vordering niet ongegrond of onrechtmatig acht, is het aanvullende bedrag van
$ 171.929,57 toewijsbaar. Voor het overige deel van het bedrag van $ 1.895.079,42 – het bedrag van $ 1.723.149,85 – heeft Digitek al een titel op grond van het arrest van het hof. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor toewijzing van de primaire vordering.
4.5.
De gevorderdere wettelijke handelsrente ingevolge artikel 6:119a BW is eveneens toewijsbaar over het aanvullende bedrag van $ 171.929,57 vanaf 15 september 2017. Ook hier geldt dat voor de wettelijke handelsrente over het bedrag van $ 1.723.149,85 al een titel bestaat, namelijk het arrest van het hof. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor toewijzing van de wettelijke handelsrente over het volledige bedrag van $ 1.895.079,42.
Misgelopen winst
4.6.
Digitek stelt schade te hebben geleden doordat zij winst is misgelopen. De zaken die niet zijn geleverd, heeft zij niet kunnen doorverkopen met een winstmarge. Tevens heeft zij minder inkopen kunnen doen en dus minder kunnen doorverkopen met een winstmarge. Zij beperkt haar vordering echter tot een eenmalige schadepost ten aanzien van de winst over de overeenkomsten 1 tot en met 3. Daartoe heeft ze gerekend met een gemiddelde brutomarge van 6,79% over $ 5.055.529,91 (de inkoopprijs van alle zaken) = $ 343.270,48, te vermeerderen met de wettelijk handelsrente vanaf 8 mei 2017. Deze datum is bepaald aan de hand van de veronderstelling dat de zaken binnen 60 dagen verkocht hadden kunnen worden en gerekend vanaf 7 maart 2017, de datum waarop de laatste zaken geleverd zouden worden (zie r.o. 2.3 hiervoor).
4.7.
Het gevorderde bedrag van $ 343.270,48 en de daaraan ten grondslag liggende berekening zijn niet betwist. De rechtbank acht de vordering niet ongegrond of onrechtmatig. Daarom wijst de rechtbank dit bedrag toe. Dit zelfde geldt voor de stelling dat vanaf 8 mei 2017 rente is verschuldigd. Ook die stelling is niet betwist. Het betreft een schadevordering. Daarover kan geen wettelijke handelsrente worden toegewezen. De rechtbank wijst daarom in plaats van de wettelijke handelsrente de subsidiair gevorderde wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BWPro toe vanaf 8 mei 2017.
Ten aanzien van [gedaagde sub 2]
4.8.
Het hof heeft voor recht verklaard dat [gedaagde sub 2] jegens Digitek onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor alle schade die daaruit is voortgevloeid en nog zal voortvloeien. De tekortkomingen van Supplink en het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] staan in causaal verband tot elkaar. [gedaagde sub 2] en Supplink zijn door het hof hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door Digitek geleden en nog te lijden schade als gevolg van de tekortkomingen van Supplink respectievelijk het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] , waarvan de omvang in deze schadestaatprocedure dient te worden vastgesteld. Hiermee staat de grondslag voor de door [gedaagde sub 2] te vergoeden schade vast.
Nog te betalen bedragen uit hoofde van de overeenkomsten
4.9.
Uit het voorgaande vloeit voort dat voor [gedaagde sub 2] ten aanzien van de nog te betalen bedragen uit hoofde van de overeenkomsten hetzelfde geldt als hetgeen daarover hiervoor is overwogen ten aanzien van Supplink. [gedaagde sub 2] is echter in het arrest van het hof nog niet, zoals Supplink, veroordeeld tot betaling van $ 1.723.149,85. De reden daarvoor blijkt uit de hierboven bij de feiten aangehaalde beslissing op het verzoek tot aanvulling van het arrest van het hof (r.o. 2.7 hiervoor). Daarom veroordeelt de rechtbank [gedaagde sub 2] tot betaling van $ 1.895.079,42.
4.10.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wijst de rechtbank ten aanzien van [gedaagde sub 2] ook de gevorderdere wettelijke handelsrente ingevolge artikel 6:119a BW toe. Dat is immers ook schade die Digitek lijdt en waarvoor [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk is. Ten aanzien van [gedaagde sub 2] berekent de rechtbank de wettelijke handelsrente, anders dan bij Supplink, over het bedrag van $ 1.895.079,42. Ten aanzien van [gedaagde sub 2] bestaat daar namelijk geen titel voor.
Valutaschade
4.11.
De valutaschade is veroorzaakt doordat door Digitek aan Supplink is betaald in dollars en er door Supplink is terugbetaald in euro’s. Supplink is door het hof veroordeeld tot betaling van het door Digitek voor deze schade gevorderde bedrag van € 196.363,26. De vordering is door het hof ten aanzien van [gedaagde sub 2] afgewezen. Dat kwam omdat de vordering op een contractuele grondslag was ingesteld, maar tussen Digitek en [gedaagde sub 2] geen contractuele band bestaat.
4.12.
Zoals gezegd is [gedaagde sub 2] door het hof veroordeeld tot vergoeding van alle schade die voortvloeit uit zijn onrechtmatig handelen. Digitek dient, ten gevolge van de tekortkoming van Supplink en het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] , de door haar uit hoofde van de overeenkomsten betaalde bedragen volledig vergoed te krijgen. Indien een verschil optreedt doordat gedeeltelijk in een andere valuta is terugbetaald, is dit schade. Beide (gedaagde) partijen zijn hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door Digitek geleden schade. Op basis van die grondslag komt de rechtbank in deze procedure tot het oordeel dat ook [gedaagde sub 2] gehouden is tot vergoeding van de valutaschade.
4.13.
[gedaagde sub 2] heeft zich verweerd tegen eventuele toekomstige valutaschade, maar die is niet gevorderd. De omvang van de door Digitek reeds geleden valutaschade van € 196.363,26 heeft [gedaagde sub 2] niet betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen.
Gederfde winst
4.14.
Het door Digitek gevorderde bedrag wegens winstschade is door [gedaagde sub 2] betwist met de stelling dat Digitek na de mislukte transactie rechtstreeks is gaan kopen van Jacky’s en zij daardoor de winstmarge die Metac en Supplink voordien hadden, nu kan toevoegen aan haar eigen winstmarge. Daardoor heeft Digitek mogelijk aanzienlijke voordelen behaald, aldus [gedaagde sub 2] .
4.15.
Digitek stelt dat zij weliswaar de zaken van de transactie 1 en 2 later direct heeft ingekocht van Jacky’s, maar daarmee slechts $ 4.343,71 (exclusief BTW) goedkoper uit is geweest. Zij stelt zich ten eerste op het standpunt dat het vereiste conditio sine qua non-verband ontbreekt tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en het voordeel: zij heeft niet door de onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] bij Jacky’s kunnen inkopen. Ten tweede stelt zij dat het voordeel niet voortkomt uit dezelfde gebeurtenis als de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt. Ten derde stelt [gedaagde sub 2] dat het niet redelijk is om het voordeel in rekening te brengen.
4.16.
De rechtbank stelt vast dat eventuele voordeeltoerekening alleen relevant kan zijn ten aanzien van de transacties 1, 2 en 3. De transacties die daarna hebben plaatsgevonden staan niet in een conditio sine qua non-verband tot de schadeveroorzakende gebeurtenis. Dit is ook op geen enkele manier onderbouwd. Ten aanzien van de transacties 1, 2 en 3 is het bestaan van een verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en een mogelijk daaruit voortkomend voordeel met betrekking tot die transacties naar het oordeel van de rechtbank evenmin onderbouwd. Het beroep op voordeeltoerekening slaagt dus niet.
4.17.
De gevorderde gederfde winst is voor het overige niet betwist door [gedaagde sub 2] . De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.6 en 4.7 hiervoor en wijst het bedrag van $ 343.270,48 en de wettelijke rente daarover toe vanaf 8 mei 2017.
De proceskostenveroordeling en uitvoerbaarverklaring bij voorraad
4.18.
Supplink en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, met dien verstande dat Supplink niet deelt in het salaris advocaat voor de mondelinge behandeling. De proceskosten van Digitek worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
6.617,00
- salaris advocaat
€
8.714,00
(2 punten × € 4.357,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
15.624,22
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.20.
De veroordeling wordt deels hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4.21.
De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet weersproken. De rechtbank wijst deze daarom toe.
5.De beslissing
De rechtbank
5.1.
stelt de schade ter zake de gelden die aan Supplink zijn (vooruit) betaald maar door Supplink niet zijn terugbetaald, tot vergoeding waarvan Supplink en [gedaagde sub 2] bij arrest van het hof van 27 september 2022 hoofdelijk zijn veroordeeld, vast op $ 1.895.079,42,
5.2.
stelt vast dat Supplink bij voormeld arrest reeds is veroordeeld tot betaling aan Digitek van het bedrag van $ 1.723.149,85 en veroordeelt Supplink en [gedaagde sub 2] in aanvulling daarop – gelet op hetgeen onder 5.1 is vastgesteld – hoofdelijk tot voldoening aan Digitek van het bedrag van $ 171.929,57, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over dat bedrag, met ingang van 15 september 2017 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 2] – gelet op hetgeen onder 5.1 is vastgesteld – hoofdelijk tot voldoening aan Digitek van het bedrag van $ 1.723.149,85, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over dat bedrag, met ingang van 15 september 2017 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt Supplink en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander is gekweten, tot betaling aan Digitek van een bedrag van $ 343.270,48 ter zake misgelopen winst, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over dat bedrag, met ingang van 8 mei 2017 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan Digitek van een bedrag van € 196.363,26 wegens valutaschade,
5.6.
veroordeelt Supplink en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 11.267,22, en [gedaagde sub 2] tevens in het salaris advocaat voor de mondelinge behandeling van € 4.357,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Supplink en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt Supplink en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman, mr. E.V.L. Heuts en mr. M. Driever en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.