De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging te verkrijgen voor uithuisplaatsing van een minderjarige vanwege zorgen over diens fysieke en emotionele veiligheid. De minderjarige woont bij de moeder, die belast is met het gezag. Er is sprake geweest van fysiek en verbaal geweld tussen de moeder en haar ex-partner, waarbij de kinderen getuige waren. De GI betoogt dat de moeder onvoldoende bescherming biedt en dat de situatie onveilig is.
De moeder erkent het geweld en stelt de relatie met de ex-partner verbroken te hebben. Zij werkt mee aan hulpverlening en staat onder behandeling van een psycholoog. De kinderrechter stelt dat uithuisplaatsing een laatste redmiddel is en dat de moeder zich heeft gehouden aan de gestelde voorwaarden, zoals het verbreken van contact met de ex-partner en medewerking aan hulpverlening.
Na beoordeling van de feiten en de mondelinge behandeling concludeert de kinderrechter dat niet is aangetoond dat uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De GI heeft onvoldoende objectief bewijs geleverd dat de moeder na de gestelde voorwaarden contact heeft gehad met de ex-partner of dat de situatie dermate onveilig is dat uithuisplaatsing gerechtvaardigd is.
De kinderrechter wijst het verzoek af, maar benadrukt dat bij verslechtering van de situatie een nieuw verzoek kan worden ingediend. Tevens wordt de GI opgedragen de vertrouwensrelatie met de moeder te herstellen en rekening te houden met de rol van de ex-partner als vader van de kinderen.