Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Inleiding
2.Onderzoek van de zaak
3.De tenlastelegging
4.De beoordeling van het bewijs
verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 augustus 2025, voor zover inhoudende:
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf
8.De voorlopige hechtenis in de zaak 03-205618-24
9.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer 1]vordert schadevergoeding tot een bedrag van 19.419,12 euro ter zake van parketnummer 03.247663.24 feit 1. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
[slachtoffer 2]vordert schadevergoeding tot een bedrag van 11.928,00 euro ter zake van parketnummer 03.247663.24 feit 1 en 2. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
[slachtoffer 3]vordert schadevergoeding tot een bedrag van 2.500,- euro ter zake van parketnummer 03.247663.24 feit 1. De vordering bestaat geheel uit immateriële schade.
[slachtoffer 4]vordert schadevergoeding tot een bedrag van 7,718,81 euro ter zake van parketnummer 03.150064.24 feit 1 en 2, 03.150064.24 feit 1, 2, 3 en 4. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
[slachtoffer 1]niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor al is gebleken is het steekincident dat aan de vordering ten grondslag ligt de escalatie van een langdurig conflict tussen de verdachte en onder anderen [slachtoffer 1] . De rechtbank heeft geconstateerd dat meerdere personen over en weer een rol hadden in de voortduring van dat conflict. En datzelfde geldt voor de escalatie die leidde tot het steekincident. Enerzijds was het de verdachte die de benadeelde aanvankelijk heeft achtervolgd, maar anderzijds heeft de benadeelde samen met anderen de verdachte opgejaagd en belaagd in de Jumbo. Bovendien was het de benadeelde die de verdachte had verteld daarnaartoe te komen. Daarmee heeft hij die confrontatie ook mede zelf geïnitieerd. En dat maakt dat het zeer complex is om de civielrechtelijke rol en aansprakelijkheid van eenieder in deze casus te beoordelen. Daartoe zou exacter feitenonderzoek geboden zijn en daarvoor biedt deze strafprocedure onvoldoende ruimte. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op zou leveren, en dat leidt tot niet-ontvankelijkverklaring. Dit raakt alle afzonderlijke kostenposten. De benadeelde partij kan de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
[slachtoffer 2]vermelde schade met betrekking tot verhuiskosten niet rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de woning van waaruit verhuisd is niet in verband tot de feiten staan.
[slachtoffer 3]onvoldoende is onderbouwd, is deze niet voor toewijzing vatbaar en zal de rechtbank de vordering afwijzen.
[slachtoffer 4]als gevolg van het feit 1 onder parketnummer 03.150064.24 en feit 2 onder parketnummer 03.205618. 24 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de posten:
10.Het beslag
11.De wettelijke voorschriften
12.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 onder parketnummer 03.247663.24, feiten 1 en 2 onder parketnummer 03.150064.24 en feiten 1, 2, 3 en 4 onder parketnummer 03.205618.24 tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, ;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf te weten 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
- geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: