Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
4.De beoordeling van het verzoek
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.)
Rechtbank Limburg
Werknemer was sinds februari 2025 in dienst bij Horeca Groep Limburg B.V. (HGL) als zelfstandig werkend kok. Na een brand in het oorspronkelijke restaurant werkte hij tijdelijk op een andere locatie. Op 11 mei 2025 werd hij op staande voet ontslagen wegens vermeende werkweigering en het niet opvolgen van aanwijzingen.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat de werkgever onvoldoende bewijs leverde voor de dringende reden van werkweigering. De werknemer had gemotiveerd betwist dat hij werkzaamheden had geweigerd en ondersteunde dit met een verklaring van zijn leidinggevende. Ook het niet verschijnen op het werk op 10 mei 2025 werd niet als dringende reden aangemerkt.
Als gevolg van het onregelmatige ontslag veroordeelde de rechter HGL tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding van €10.000 bruto. Het tegenverzoek van HGL tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding werd afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke vervaltermijn. De proceskosten kwamen voor rekening van HGL.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig, werkgever moet diverse vergoedingen betalen en tegenverzoek wordt afgewezen.