De zaak betreft een geschil tussen IFS International B.V. en Isowrap B.V. over de beëindiging van een licentieovereenkomst met exclusiviteit op het patent WO 2010/019033 A1 (Isobooster). Isowrap had de licentieovereenkomst op grond van vermeend ongebruik door IFS tussentijds beëindigd. IFS stelde dat zij het patent wel degelijk gebruikte en dat de beëindiging onterecht was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat niet aannemelijk was dat er een mondelinge ontbindende voorwaarde was overeengekomen dat IFS binnen een maand een machine moest bouwen. Ook werd geoordeeld dat IFS het patent niet ongebruikt had gelaten, gelet op de productie en levering van het Isobooster-product en betaling van licentievergoedingen. Het verweer van Isowrap dat IFS mondeling had toegestaan dat PXA het patent mocht blijven gebruiken werd niet relevant geacht.
De rechtbank verbood Isowrap het patent en de handelsnaam aan derden ter beschikking te stellen gedurende de looptijd van de licentieovereenkomst en veroordeelde Isowrap om het patent exclusief en onbezwaard aan IFS ter beschikking te stellen. Tevens werd een dwangsom opgelegd om naleving af te dwingen. De overige vorderingen van IFS werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.