De rechtbank Limburg behandelde een zaak tussen Stichting Wonen Zuid en een huurder over de ontbinding van huurovereenkomsten van twee garageboxen en een sociale huurwoning. Na doorzoekingen in november 2024 werden in een garagebox grote hoeveelheden drugs en drugshandelgerelateerde materialen aangetroffen. Wonen Zuid beëindigde daarop de huur van de garageboxen en vorderde ontbinding van de huurovereenkomst van de woning vanwege vermeende drugshandelactiviteiten.
De rechtbank oordeelde dat de opzegging van de garageboxen rechtsgeldig was en dat de huurder de garagebox met drugs binnen veertien dagen moest ontruimen. De aanwezigheid van drugs in de garageboxen was in strijd met de huurovereenkomst en rechtvaardigde ontbinding. Daarentegen werd de ontbinding van de woninghuur afgewezen omdat de afstand tussen woning en garageboxen te groot was om overlast vanuit de garageboxen aan de woning toe te rekenen, en Wonen Zuid onvoldoende bewijs leverde voor drugshandel vanuit de woning.
De huurder betwistte betrokkenheid bij drugshandel en stelde dat de sleutel van een garagebox was uitgeleend aan een derde. De rechtbank vond dat de huurder verantwoordelijk bleef voor het gehuurde. Wonen Zuid werd veroordeeld in de proceskosten omdat zij grotendeels in het ongelijk werd gesteld met betrekking tot de woning. Het vonnis werd op 20 augustus 2025 uitgesproken.