ECLI:NL:RBLIM:2025:9425

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
C/03/334385 / HA ZA 24-409
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling op basis van een vermeende overeenkomst van opdracht

In deze civiele zaak heeft eiser, [eiser], een vordering ingesteld tegen gedaagde, BB&S B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde]. Eiser stelt dat er een mondelinge overeenkomst van opdracht is gesloten tussen hem en gedaagde, waarbij hij hulp en ondersteuning heeft geboden in ruil voor een vergoeding van € 50,00 per uur. Gedaagde betwist echter dat er een overeenkomst van opdracht is en stelt dat de hulp op vriendschappelijke basis is verleend. De rechtbank heeft op 1 oktober 2025 geoordeeld dat eiser zijn stelling dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank concludeert dat de werkzaamheden die eiser heeft verricht, niet voldoen aan de criteria van een overeenkomst van opdracht, maar eerder als een vriendendienst kunnen worden gekarakteriseerd. Eiser heeft niet aangetoond dat er concrete afspraken zijn gemaakt over de aard en omvang van de werkzaamheden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot betaling van € 30.036,66 en de vordering tot betaling van € 2.815,11 voor aangekochte zaken afgewezen. Eiser is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van gedaagde betalen, die zijn begroot op € 1.837,00. Het vonnis is openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/334385 / HA ZA 24-409
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.H.C.K. Reijans,
tegen
BB&S B.V.
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van
[naam],
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BB&S,
advocaat: mr. M.J.W. Janssen -van Rooij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 8 juli 2025, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft vanaf juni 2020 tot en met januari 2023 hulp en ondersteuning geboden aan [gedaagde] (“ [gedaagde] ”).
2.2.
[gedaagde] heeft niet-aangeboren hersenletsel waardoor hij cognitieve problemen ervaart. [gedaagde] staat sinds 1 april 2023 onder bewind. BB&S (t.h.o.d.n. BB&S Noorderpoort) is benoemd tot zijn bewindvoerder.
2.3.
Op 24 juni 2024 is op verzoek van [eiser] een voorlopig getuigenverhoor gehouden ten overstaan van de rechter-commissaris te Roermond, waarbij vier getuigen zijn gehoord.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 34.351,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 32.851,77, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen mondeling een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. Daarbij hebben partijen afgesproken dat [eiser] aan [gedaagde] hulp en ondersteuning biedt en dat [gedaagde] daarvoor een vergoeding - gebaseerd op een overeengekomen uurtarief van € 50,00 althans een redelijk loon - aan [eiser] verschuldigd is. Tevens heeft [eiser] goederen voor [gedaagde] aangekocht die [gedaagde] aan [eiser] dient te vergoeden. [eiser] stelt dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd en tot betaling is gehouden.
3.3.
[gedaagde] betwist dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten en stelt dat [eiser] hem op vriendschappelijke basis hulp en ondersteuning heeft geboden. Van wanprestatie is geen sprake en [gedaagde] is geen vergoeding aan [eiser] verschuldigd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Overeenkomst van opdracht
4.1.
De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval, zodat zij aan de beoordeling van de ingestelde (nakomings- dan wel schadevergoedings)vorderingen niet toekomt. Zij legt dat oordeel hierna uit.
4.2.
[eiser] stelt dat hij op 12 juni 2020 een mondelinge overeenkomst van opdracht heeft gesloten met [gedaagde] . Daarbij zou een uurtarief van € 50,00 zijn afgesproken alsmede dat de woning van [gedaagde] als onderpand zou dienen. Deze afspraken zijn volgens [eiser] regelmatig herhaald en bevestigd in het bijzijn van anderen, hetgeen zou blijken uit de processen-verbaal van de voorlopig getuigenverhoren. De opdracht zag bij aanvang op het verlenen van hulp in een conflict dat [gedaagde] had met zijn ex-partner over zijn woning. Daarna zou de opdracht zijn uitgebreid met andere werkzaamheden. Aan de hoogte van zijn vordering legt [eiser] een overzicht ten grondslag waarin hij zijn werkzaamheden vanaf juni 2020 tot en met januari 2023 per minuut heeft bijgehouden. Hieruit volgt dat [eiser] in totaal 36.064 minuten voor [gedaagde] zou hebben gewerkt en dat [gedaagde] hiervoor € 30.036,66 aan loon is verschuldigd.
4.3.
[gedaagde] betwist dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. Hij erkent dat [eiser] hem hulp en ondersteuning heeft geboden, maar dit was op vriendschappelijke basis en niet tegen een financiële vergoeding. [eiser] heeft altijd verklaard dat zijn hulp een vriendendienst was. Partijen hebben dan ook nooit gesproken over een vergoeding, laat staan over een tarief van € 50,00 per uur. [eiser] heeft nimmer een factuur gestuurd. Het door [eiser] bijgehouden overzicht van activiteiten heeft [gedaagde] niet eerder gezien en [gedaagde] was ook niet op de hoogte van de activiteiten die [eiser] voor hem zou hebben verricht. [gedaagde] heeft [eiser] geen opdracht verstrekt. Het had bovendien op de weg van [eiser] gelegen om de gestelde overeenkomst op enig moment schriftelijk vast te leggen, temeer nu hij bekend was met het hersenletsel van [gedaagde] .
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. In de praktijk is de scheidslijn tussen een overeenkomst van opdracht en een vriendendienst dun. Een vriendendienst is een eenvoudige toezegging tot hulp en bijstand in de particuliere sfeer die niet als een overeenkomst moet worden opgevat. Op grond van artikel 7:400 BW is de overeenkomst van opdracht de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt werkzaamheden te verrichten, anders dan op grond van de arbeidsovereenkomst. Kenmerkend voor een overeenkomst van opdracht is dat de ene partij bepaalde verrichtingen aan de andere partij kan opdragen, die de andere partij dan moet uitvoeren, waarbij hij zich ook moet houden aan de door de opdrachtgever gegeven aanwijzingen (vgl. artikel 7:402 BW). De overeenkomst van opdracht is een overeenkomst tot dienstbetoon. Daarin ligt het raakvlak met de vriendendienst. Of een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, in die zin dat er rechtens afdwingbare afspraken zijn gemaakt, dan wel of sprake is geweest van een vriendendienst is afhankelijk van de bedoeling van partijen en van wat partijen over en weer jegens elkaar hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van een overeenkomst van opdracht, rusten op degene die zich op het bestaan van deze overeenkomst beroept en daaraan rechtsgevolgen verbindt, in dit geval dus op [eiser] . [1]
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] , in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , zijn stelling dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten onvoldoende heeft geconcretiseerd.
4.6.
[eiser] dient minst genomen te stellen wát hij met [gedaagde] heeft afgesproken over de aard, de omvang en de frequentie van de werkzaamheden die aan hem zouden zijn opgedragen. [eiser] heeft daarover niets gesteld. Zo heeft [eiser] bijvoorbeeld niet gesteld welke werkzaamheden hij voor [gedaagde] zou verrichten. Uit de stellingen van [eiser] volgt ook niet dat hij de opdrachten, die [gedaagde] hem zou hebben gegeven, moest uitvoeren en dat in die zin geen sprake was van de vrijblijvendheid die kenmerkend is voor een vriendendienst.
4.7.
Anders dan [eiser] stelt, volgt het bestaan van een overeenkomst van opdracht ook niet uit de verklaringen die zijn afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor. De waardering van die getuigenverklaringen is bovendien aan het oordeel van de rechter overgelaten (artikel 152 lid 2 Rv). De rechtbank weegt in haar waardering mee dat de verklaringen waarop [eiser] zich beroept afkomstig zijn van [eiser] zelf, zijn eeneiige tweelingbroer en [persoon X] , die sinds de middelbare schooltijd bevriend is met [eiser] . Het betreft aldus partijen die minst genomen niet onpartijdig zijn. Bovendien volgt uit de proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van [persoon X] dat de getuigen voorafgaand aan het getuigenverhoor overleg hebben gehad met de advocaat van [eiser] . De inhoud van deze verklaringen vindt voorts geen verankering in objectieve feiten of omstandigheden en komt de rechtbank bovendien ongeloofwaardig voor. Zo heeft de tweelingbroer van [eiser] verklaard dat hij tijdens het eerste gesprek tussen [eiser] en [gedaagde] aanwezig was en dat [eiser] in dat gesprek een uurtarief van € 50,00 heeft genoemd terwijl [gedaagde] betwist dat de tweelingbroer van [eiser] bij dit gesprek aanwezig was. Voorts heeft de tweelingbroer van [eiser] verklaard dat [eiser] direct aan [gedaagde] zou hebben medegedeeld dat dit notarieel vastgelegd zou worden, desgevraagd kon hij echter niet uitleggen waarom dat noodzakelijk was. Daarnaast zou [gedaagde] volgens de tweelingbroer van [eiser] vaak aan de keukentafel aan hem hebben bevestigd dat [eiser] tegen een uurtarief van € 50,00 per uur voor hem werkt. Ook dit wordt betwist door [gedaagde] . Getuige [persoon X] heeft verklaard dat hij herhaaldelijk tijdens bezoeken van [gedaagde] aan [eiser] in een andere kamer in de woning van [eiser] aanwezig was en dat [eiser] daarbij steeds bevestigd had dat hij een uurloon van € 50,00 zou krijgen. Ook dit wordt door [gedaagde] betwist; hij heeft verklaard dat hij [persoon X] nooit bij [eiser] heeft gezien. Gelet op de zeer nauwe banden tussen [eiser] en deze twee getuigen, op de omstandigheid dat voorafgaand aan het getuigenverhoor overleg heeft plaatsgevonden tussen deze getuigen en de advocaat van [eiser] en op de gemotiveerde weerlegging van de inhoud van de verklaringen door [gedaagde] , kent de rechtbank geen gewicht toe aan de verklaringen van deze getuigen.
4.8.
Bovendien kan uit deze verklaringen ook niet worden afgeleid dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Uit de verklaringen volgt immers slechts dat [eiser] een uurtarief aan [gedaagde] zou hebben medegedeeld. Hieruit blijkt niet dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven aan [eiser] tot het verrichten van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 7:400 BW, noch welke werkzaamheden partijen alsdan zouden zijn overeengekomen. Van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW zou ook op basis van die enkele mededeling dus geen sprake zijn.
4.9.
Uit de verklaring van [gedaagde] tijdens het voorlopig getuigenverhoor - dat hij wel eens tegen [eiser] had gezegd dat hij zijn uren moest bijhouden, omdat hij wel het vermoeden had dat er iets betaald moest worden - kan evenmin worden afgeleid dat [gedaagde] opdracht zou hebben gegeven aan [eiser] tot het verrichten van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 7:400 BW. Van een opdracht of instructie tot het verrichten van concrete werkzaamheden is immers ook dan geen sprake.
4.10.
De door [eiser] gestelde afspraken blijken naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit het bij de dagvaarding overgelegde urenoverzicht. Het overzicht bevat slechts een eenzijdige weergave van de uren die [eiser] stelt te hebben verricht - en die door [gedaagde] worden betwist -, maar hieruit blijkt niet dat [gedaagde] [eiser] in de zin van artikel 7:400 BW opdracht heeft gegeven tot het verricht van die werkzaamheden, noch dat [gedaagde] ermee heeft ingestemd dat [eiser] deze werkzaamheden tegen een uurtarief van € 50,00 zou verrichten. De rechtbank weegt voorts mee dat [eiser] er in ieder geval bewust voor heeft gekozen meerdere jaren geen factuur te sturen voor zijn hulp of bijstand.
4.11.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij het ook niet geloofwaardig acht dat [gedaagde] ermee zou hebben ingestemd dat [eiser] de pretense “diensten” tegen een uurtarief van € 50,00 zou verrichten. Volgens het door [eiser] overgelegde overzicht zou [gedaagde] alsdan honderden euro’s verschuldigd zijn voor het inruimen, aanzetten en uitruimen van de vaatwasser, het schoonmaken van de wasmachine, geld van [gedaagde] overhandigen aan zijn zus voor benzine, het zoeken van een poetshulp, het uitzoeken van een wasmachine, het uitzoeken van een koelvriescombinatie, bezoekjes van [eiser] , et cetera. De aard van deze werkzaamheden bevestigen naar het oordeel van de rechtbank juist dat er sprake was van een vriendendienst. Dat [eiser] [gedaagde] ook hielp bij zijn administratie en correspondentie met de gemeente, maakt dit niet anders.
4.12.
De conclusie is dan ook dat [eiser] zijn stelling dat tussen hem en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, onvoldoende concreet heeft onderbouwd.
4.13.
Ter terechtzitting heeft [eiser] zich er aanvullend op beroepen dat, indien niet komt vast te staan dat partijen een tarief van € 50,00 per uur zijn overeengekomen, [eiser] wel recht heeft op een redelijk loon. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op artikel 7:405 lid 2 BW. Nu de rechtbank reeds tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht, slaagt het beroep op artikel 7:405 lid 2 BW evenmin.
4.14.
De rechtbank is op basis van al het bovenstaande van oordeel dat van het bestaan van een overeenkomst van opdracht niet is gebleken, zodat zij aan de verdere beoordeling van enige (nakomings- of schadevergoedings) vordering niet toekomt. De vordering tot betaling van € 30.036,66 wordt dan ook afgewezen.
Vergoeding aankopen
4.15.
[eiser] vordert voorts betaling van € 2.815,11 voor zaken die hij met zijn eigen geld voor [gedaagde] zou hebben aangekocht. [gedaagde] betwist dat [eiser] met zijn eigen geld zaken voor hem heeft gekocht. [eiser] beschikte immers over de pinpas van de bankrekening van [gedaagde] , zodat voorschieten door [eiser] niet nodig was.
4.16.
De rechtbank overweegt dat het gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] op de weg van [eiser] had gelegen zijn stelling te onderbouwen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Nu enige bewijsstukken van de gestelde aankopen ontbreken kan de rechtbank niet vaststellen of [eiser] daadwerkelijk goederen voor [gedaagde] heeft aangeschaft en betaald.
4.17.
Ook de vordering tot betaling van € 2.815,11 voor aangekochte zaken zal derhalve worden afgewezen.
Proceskosten
4.18.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
87,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.837,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.837,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Linders en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025

Voetnoten