Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
Rechtbank Limburg
In deze civiele zaak heeft eiser, [eiser], een vordering ingesteld tegen gedaagde, BB&S B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde]. Eiser stelt dat er een mondelinge overeenkomst van opdracht is gesloten tussen hem en gedaagde, waarbij hij hulp en ondersteuning heeft geboden in ruil voor een vergoeding van € 50,00 per uur. Gedaagde betwist echter dat er een overeenkomst van opdracht is en stelt dat de hulp op vriendschappelijke basis is verleend. De rechtbank heeft op 1 oktober 2025 geoordeeld dat eiser zijn stelling dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank concludeert dat de werkzaamheden die eiser heeft verricht, niet voldoen aan de criteria van een overeenkomst van opdracht, maar eerder als een vriendendienst kunnen worden gekarakteriseerd. Eiser heeft niet aangetoond dat er concrete afspraken zijn gemaakt over de aard en omvang van de werkzaamheden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot betaling van € 30.036,66 en de vordering tot betaling van € 2.815,11 voor aangekochte zaken afgewezen. Eiser is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van gedaagde betalen, die zijn begroot op € 1.837,00. Het vonnis is openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.