Eiseres was sinds 6 maart 2019 inburgeringsplichtig en had tot 5 januari 2023 de tijd om te voldoen aan deze plicht, inclusief een verlenging vanwege corona. Zij startte echter niet met de cursus en deed geen examenpogingen binnen de termijn. De staatssecretaris legde haar daarom een boete van €1.250 op. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat haar fysieke en psychische beperkingen haar belemmerden om aan de eisen te voldoen. De medische beoordeling door Argonaut, een deskundige instantie, concludeerde echter dat zij met gebruik van voorzieningen de onderwijsinstelling kon bereiken en geen leerstoornissen had die haar leervaardigheid aantasten. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende medische onderbouwing leverde voor haar psychische klachten en dat de verklaring van haar huisarts onvoldoende inzicht gaf in het inburgeringstraject.
De rechtbank oordeelde dat de boete terecht was opgelegd omdat eiseres geen cursus volgde en geen examenpogingen deed. De boete was conform het beleid vastgesteld en de evenredigheidstoets werd doorstaan. Eiseres maakte ook bezwaar tegen de duur van de procedure en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de procedure meer dan zes maanden maar minder dan een jaar duurde, waardoor een vermindering van 10% van de boete passend was. De boete werd daarom gematigd tot €1.125. Tevens werden de proceskosten van €453,50 aan eiseres toegekend.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betrof en stelde deze zelf vast. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit. Eiseres werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.