Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. In artikel 8:83, vierde lid, van de Awb is bepaald - zakelijk weergegeven - dat de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak kan doen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
3. Verzoekers wonen in een woonunit op het perceel aan de [adres] in Weert. Op dit perceel bevindt zich ook een woning in aanbouw.
4. Het college heeft de last onder dwangsom opgelegd vanwege de bewoning in de woonunit. Die last onder dwangsom houdt in dat verzoekers de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet in combinatie met artikel 7.5.1, onder a, en artikel 7.2.3, onder b, van het bestemmingsplan moeten beëindigen en beëindigd houden. Dit kunnen zij doen door de woonunit van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Als verzoekers niet, niet tijdig of niet volledig aan de last voldoen, dan verbeuren zij een dwangsom van € 5.000,- per week waarin de overtreding voortduurt met een maximum van € 15.000,-.
5. Verzoekers hebben, kort samengevat, aangevoerd dat handhavend optreden onevenredig is in verband tot de met handhaving te dienen belangen. Gelet op de door verzoekers gestelde bijzondere omstandigheden had verweerder van handhavend optreden moeten afzien.
6. Van de zijde van de rechtbank is op 8 oktober 2025 na de ontvangst van het verzoek om een voorlopige voorziening telefonisch contact met het college opgenomen met de vraag of het college bereid is het bestreden besluit op te schorten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. Van de zijde van het college is aan de rechtbank medegedeeld dat het college daartoe niet bereid is.
7. De voorzieningenrechter acht een onderzoek op zitting noodzakelijk en overweegt dat het niet mogelijk is om het verzoek om voorlopige voorziening vóór de maximaal te verbeuren dwangsommen op zitting te behandelen. Gegeven de uitdrukkelijke weigering van het college om voorlopig te voorkomen dat verdere dwangsommen worden verbeurd en in aanmerking nemend de ongewenste situatie waarin verzoekers daardoor verkeren, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een ordemaatregel te treffen. Die ordemaatregel houdt in dat het bestreden besluit per direct wordt geschorst.
8. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat niet is gebleken dat het college een zodanig zwaarwegend en/of acuut spoedeisend belang bij de beëindiging van de overtreding heeft, dan wel dat derden een dergelijk belang hebben, dat schorsing van het bestreden besluit onacceptabel zou zijn dan wel tot onomkeerbare gevolgen zou leiden.
9. De schorsing van het bestreden besluit heeft nog louter het karakter van een tijdelijke ordemaatregel, in afwachting van de behandeling van het verzoek op zitting, en dus niet de betekenis van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Partijen zullen worden uitgenodigd om op 11 november 2025 om 14:00 uur op zitting te verschijnen voor een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Hierover krijgen partijen nog nader bericht. Op die zitting zal worden besproken of er reden is om met toepassing van artikel 8:87 van de Awb de voorlopige voorziening die nu wordt getroffen, op te heffen of te wijzigen. Indien dat het geval is, zal uitspraak worden gedaan met toepassing van voornoemd artikel.
10. Omdat nu enkel een voorlopige voorziening als ordemaatregel wordt getroffen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht. Na de onder 9 genoemde zitting zal de voorzieningenrechter beoordelen of er aanleiding is voor een proceskostenveroordeling en/of vergoeding van het betaalde griffierecht.