ECLI:NL:RBLIM:2026:1001

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
11982280 \ CV EXPL 25-5258
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:613 BWArt. 7:625 BWArt. 7:660 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonstop onterecht; werkgever moet werknemer toelaten tot eigen of passend werk en achterstallig loon betalen

De werknemer was sinds 1 februari 2022 in dienst bij de werkgever als proces engineer. Na langdurige ziekte en een loonsanctie van het UWV, stelde de werkgever dat de werknemer vanaf 2 september 2025 volledig hersteld was en riep hem op om te werken. De werkgever stopte echter de loonbetaling vanaf 19 november 2025 omdat de werknemer weigerde ander werk te verrichten, nadat zijn oorspronkelijke functie was komen te vervallen.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever terecht het loon vanaf 14 juli 2025 tot 18 november 2025 had betaald, maar dat de loonstop vanaf 19 november 2025 onterecht was. De werkgever had geen redelijk voorstel gedaan voor ander werk en mocht de werknemer niet eenzijdig ander werk opleggen. De loonstop was daarom onrechtmatig en de werkgever werd veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 19 november 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, inclusief wettelijke rente en verhoging.

Daarnaast werd de werkgever veroordeeld om de werknemer binnen twee weken toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden of passend werk, met een dwangsom bij niet-naleving. Ook moest de werkgever correcte loonstroken verstrekken en de buitengerechtelijke incassokosten vergoeden. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke rente, incassokosten en moet de werknemer toelaten tot zijn eigen of passend werk.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11982280 \ CV EXPL 25-5258
Vonnis in kort geding van 2 februari 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. J.J.C. Delahaye,
tegen
[werkgever] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 2] en kantoorhoudende te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. M.J. van Weersch (DAS).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026
- de pleitnota van [werknemer] .
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werkgever] is producent van hoogwaardig plaatmateriaal van gerecyclede vezels uit textiel, hennep, koemest, gras en etikettenpapier.
2.2.
[werknemer] is op 1 februari 2022 bij [werkgever] in dienst getreden, aanvankelijk voor bepaalde tijd en per 1 augustus 2022 voor onbepaalde tijd. [werknemer] was werkzaam als proces engineer, laatstelijk voor 32 uur per week tegen een salaris van € 3.600,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
2.3.
[werknemer] is op 3 oktober 2022 uitgevallen wegens ziekte. Nadat [werknemer] twee jaar ziek was, heeft het UWV op 20 september 2024 een loonsanctie aan [werkgever] opgelegd tot
29 september 2025.
2.4.
[werknemer] is op enig moment gestart met re-integratiewerkzaamheden.
2.5.
Van 1 juli tot en met 11 juli 2025 heeft [werknemer] volledig gewerkt. Vervolgens heeft [werknemer] van 14 juli 2025 tot en met 30 september 2025 verlof opgenomen.
2.6.
Het UWV besliste op 23 september 2025 op de WIA-aanvraag dat [werknemer] vanaf 2 september 2025 (volledig) hersteld was. [werkgever] heeft het oordeel van het UWV dat Wolters vanaf 2 september 2025 niet langer arbeidsongeschikt was aanvankelijk niet erkend.
2.7.
In haar mail van 10 november 2025 stelt [werkgever] ervan uit te gaan dat de betermelding per 2 september 2025 klopt en zij roept [werknemer] op om op 11 november 2025 op het werk te verschijnen. Ook wordt in die mail meegedeeld dat de functie van [werknemer] is komen te vervallen en dat de loonbetaling pas wordt hervat als [werknemer] komt werken.
2.8.
Op 13 november 2025 hebben partijen overleg gevoerd.
2.9.
Op 17 november 2025 heeft [werkgever] per e-mail bevestigd dat de loondoorbetaling vanaf 2 september 2025 wordt hervat en dat [werknemer] tijdens zijn vakantie 100% wordt doorbetaald. [werkgever] geeft aan geen wettelijke rente, wettelijke verhoging en incassokosten te zullen betalen. Ook geeft [werkgever] aan dat zij [werknemer] op 19 november 2025 op de werkvloer verwacht voor het verrichten van verschillende werkzaamheden. Ten slotte wordt aan [werknemer] een vaststellingsovereenkomst voorgelegd.
2.10.
[werknemer] stelt zich bij e-mail van 19 november 2025 op het standpunt dat een eenzijdige wijziging van zijn functie niet mogelijk is en dat [werkgever] niet van hem kan verwachten dat hij andere werkzaamheden gaat verrichten.
2.11.
In een e-mailbericht van 24 november 2025 roept [werkgever] [werknemer] opnieuw op voor werkzaamheden en verwacht hem op 25 november 2025 op de werkvloer. Ze vermeldt ook dat, nu [werknemer] op 19 november 2025 niet op de werkvloer is verschenen, hij vanaf die datum geen recht meer heeft op loon.
2.12.
Op 25 november 2025 heeft [werkgever] achterstallig loon betaald over de periode 14 juli 2025 tot en met 18 november 2025. Vanaf 19 november 2025 heeft [werkgever] geen loon meer betaald.
2.13.
Op 28 november 2025 heeft [werkgever] bij het UWV een ontslagaanvraag voor [werknemer] ingediend wegens bedrijfseconomische redenen.

3.Het geschil

3.1.
[werknemer] vordert - samengevat - [werkgever] te veroordelen:
om aan [werknemer] de voldoen een bedrag van € 14.320,00 bruto wegens achterstallig salaris over de maanden juli 2025 tot en met december 2025, te verminderen met de reeds verstrekte betalingen;
om aan [werknemer] te voldoen een bedrag van € 3.600,00 bruto per maand, voor het eerst per 31 januari 2026 en daarna steeds op de laatste dag van iedere kalendermaand tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd is;
om aan [werknemer] te voldoen een bedrag van € 7.160,00 bruto aan wettelijke verhoging over het niet tijdig betaalde salaris;
om aan [werknemer] te voldoen een bedrag van € 731,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
om aan [werknemer] te voldoen de wettelijke rente over de navolgende bedragen:
a. € 1.080,00 vanaf 1 augustus 2025 tot en met de dag van betaling;
b. € 1.080,00 vanaf 1 september 2025 tot en met de dag van betaling;
c. € 1.360,00 vanaf 1 oktober 2025 tot en met de dag van betaling;
d. € 3.600,00 vanaf 1 november 2025 tot en met de dag van betaling;
e. € 3.600,00 vanaf 1 december 2025 tot en met de dag van betaling;
f. € 3.600,00 vanaf 1 januari 2026 tot en met de dag van betaling;
6. om [werknemer] binnen twee dagen toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel;
7. om aan [werknemer] correcte loonstroken te verstrekken van alle betalingen binnen een week na betaling, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel;
8. in de kosten van dit geding, met inbegrip van de nakosten.
3.2.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [werknemer] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [werknemer] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot betaling van salaris c.a. en tewerkstelling in zijn eigen werkzaamheden, nu dit reeds volgt uit de aard van de vordering.
Salaris juli tot en met 18 november 2025
4.3.
Tussen partijen staat vast dat [werkgever] op 25 november 2025 het achterstallige salaris vanaf 14 juli 2025 tot en met 18 november 2025 heeft voldaan.
De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] terecht pas vanaf 14 juli 2025 - de start van de vakantie van [werknemer] - 100% van zijn loon (weliswaar achteraf) heeft uitbetaald. Naar het oordeel van de kantonrechter moet er, gelet op de beslissing van het UWV van 23 september 2025, immers vanuit worden gegaan dat [werknemer] in de periode van 1 juli 2025 tot 2 september 2025 nog niet (volledig) hersteld was, zodat hij over de eerste periode in juli 2025 tot aan de start van zijn vakantie slechts recht had op 70% van zijn salaris. De loonvordering van [werknemer] die ziet op de periode van 1 tot 14 juli 2025 zal dan ook worden afgewezen.
4.4.
Vervolgens doet zich de vraag voor of [werkgever] gehouden is om wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag van opeisbaarheid van de respectievelijke loonbedragen tot aan de dag van betaling op 25 november 2025.
4.5.
Aangezien [werkgever] het salaris van [werknemer] te laat heeft betaald, is zij daarover op grond van artikel 7:625 BW Pro wettelijke verhoging verschuldigd. In de omstandigheid dat het tot 23 september 2025 niet vaststond dat [werknemer] weer volledig arbeidsgeschikt was, en hij vanaf 2 september 2025 recht had op 100% loon, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging over het verschuldigde loon van 11 juli 2025 tot en met 23 september 2025 te matigen tot 10%. Voor matiging in de periode daarna tot en met 18 november 2025 ziet de kantonrechter geen aanleiding.
Salaris vanaf 19 november 2025
4.6.
[werkgever] heeft het salaris van [werknemer] vanaf 19 november 2025 niet meer betaald omdat [werknemer] weigerde de aan hem opgedragen werkzaamheden te verrichten.
[werkgever] stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 7:611 BW Pro (goed werknemerschap) in combinatie met artikel 2.2. van de arbeidsovereenkomst van [werknemer] mag verlangen dat hij andere werkzaamheden dan zijn eigen werkzaamheden zal verrichten. De functie van [werknemer] was namelijk als gevolg van een reorganisatie komen te vervallen, aldus [werkgever] . [werkgever] is nog in afwachting van een ontslagvergunning van het UWV.
4.7.
[werknemer] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat hij met recht een beroep kan doen op zijn opschortingsrecht. In ieder geval tot 25 november 2025, toen pas het achterstallige salaris is betaald. Daarna bestond er nog steeds een opschortingsrecht omdat de wettelijke verhoging, incassokosten en het salaris van juli 2025 nog niet waren voldaan.
Daarnaast is [werknemer] van mening dat [werkgever] niet van hem kan verwachten dat hij opeens maandenlang geheel andere werkzaamheden gaat uitoefenen. De functie van [werknemer] is namelijk een arbeidsvoorwaarde die niet gewijzigd kan worden met beroep op het instructierecht (artikel 7:660 BW Pro) of een bepaling in de arbeidsovereenkomst die bepaalt dat er andere werkzaamheden opgedragen kunnen worden.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat het opdragen van andere werkzaamheden aan een werknemer een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst is. In de arbeidsovereenkomst is geen eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW Pro opgenomen. Artikel 2.2. van de arbeidsovereenkomst kan niet als een eenzijdig wijzigingsbeding worden aangemerkt. Onder omstandigheden kan van een werknemer echter de bereidheid worden verlangd om mee te werken aan aanpassing van zijn arbeidsovereenkomst. Een werknemer behoort in het algemeen op redelijke voorstellen, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, positief in te gaan. Een werknemer mag dergelijke voorstellen alleen afwijzen wanneer de aanvaarding ervan redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In het onderhavige geval heeft [werkgever] bij e-mailbericht van 10 november 2025 aan [werknemer] het volgende meegedeeld:
‘Aangezien uw oorspronkelijke functie niet meer bestaat, kunt u zich bij aankomst melden bij de heer [naam] , onze Productiemanager. Hij zal u verder instrueren over de werkzaamheden. Graag zou ik u willen vragen om uw werkschoenen mee te nemen. Werkkleding heb ik voor u klaar liggen.’
In een latere e-mail van 24 november 2025 wordt [werknemer] nogmaals opgeroepen om op de werkvloer te verschijnen.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er van een ‘redelijk voorstel’ aan [werknemer] geen sprake, maar wordt hem zonder de mogelijkheid van overleg eenzijdig ander werk opgelegd.
Door aan de weigering om ander werk te verrichten vervolgens per direct een loonstop te verbinden, is naar het oordeel van de kantonrechter een stap te ver. De omstandigheid dat [werknemer] geen werkzaamheden meer heeft verricht, komt daarom voor risico van [werkgever] als werkgever. Dit betekent dat [werkgever] gehouden is om het loon vanaf 19 november 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, alsnog te voldoen. De gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging, die tot en met december 2025 wordt gevorderd over het achterstallige salaris is eveneens toewijsbaar. Voor matiging van de wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding.
Toelating tot eigen werkzaamheden
4.9.
De toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer om in de gelegenheid gesteld te worden de overeengekomen arbeid te verrichten, moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 7:611 BW Pro, die verwijst naar wat een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Deze maatstaf brengt in het algemeen gesproken mee dat de toewijsbaarheid afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval. [1]
Daarbij dient naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt te worden genomen dat van een werkgever, als goed werkgever, gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond voldoende zwaar dient te wegen, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten.
4.10.
In het onderhavige geval stelt [werkgever] dat de functie van [werknemer] is komen te vervallen, zodat zij hem niet meer in deze functie kan laten werken.
[werknemer] stelt dat nu het UWV nog niet heeft beslist over het verval van zijn functie, het [werkgever] niet is toegestaan om een voorschot te nemen op de UWV-procedure en dat [werknemer] zijn functie dus moet kunnen hervatten.
4.11.
De kantonrechter begrijpt dat [werknemer] bezig was met het optimaliseren van een productielijn, maar dat deze productielijn niet meer wordt gebruikt, waardoor volgens [werkgever] zijn functie is komen te vervallen. Of er daadwerkelijk sprake is van verval van zijn functie, ligt op dit moment nog voor bij het UWV in het kader van de ontslagaanvraag. Wanneer er daadwerkelijk sprake is van verval van de functie, ligt het eerst op de weg van een werkgever om passend werk aan te bieden. De kantonrechter begrijpt dat het werk dat [werkgever] [werknemer] opdroeg om te doen louter productiewerk was. Gelet op zijn functie als proces engineer (op HBO-WO-niveau) is dat werk niet passend te achten. De kantonrechter begrijpt dat [werkgever] ervan uit gaat dat het UWV de ontslagvergunning zal gaan verlenen, maar ook dat zij bereid is om met [werknemer] naar passend werk te zoeken. [werknemer] heeft ook meerdere malen kenbaar gemaakt bereid te zijn om passend werk te verrichten.
De kantonrechter zal [werkgever] daarom veroordelen om [werknemer] binnen twee weken na dit vonnis toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden dan wel tot het verrichten van passende arbeid.
4.12.
De kantonrechter acht het redelijk om aan de gevorderde dwangsom een maximum te verbinden van € 25.000,00.
Loonstroken
4.13.
De vordering tot het verstrekken van correcte loonstroken is toewijsbaar, met dien verstande dat [werkgever] een aantal van de gevraagde loonstroken reeds in het geding heeft gebracht. De kantonrechter gaat ervan uit dat [werkgever] ook de loonstroken van toekomstige betalingen aan [werknemer] zal verstrekken, en ziet op dit moment geen aanleiding om aan deze veroordeling dwangsommen te verbinden.
Buitengerechtelijke kosten
4.14.
[werknemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 731,00. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een dergelijke vergoeding is voldaan. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen.
Proceskosten
4.15.
[werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,40
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van het salaris van € 3.600,00 per maand vanaf
19 november 2025 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd is,
5.2.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris over de maanden juli tot en met 18 november 2025 vanaf de dag van opeisbaarheid van de respectievelijk verschuldigde loonbedragen tot aan de dag van betaling op 25 november 2025, en over het te laat betaalde salaris over de periode vanaf 19 november 2025 tot en met 31 december 2025 vanaf de dag van opeisbaarheid van de respectievelijk verschuldigde loonbedragen tot aan de dag van algehele betaling,
5.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging, vastgesteld op 10%, over het achterstallige loon over de periode van 11 juli 2025 tot 23 september 2025,
5.4.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging over het achterstallige loon vanaf 23 september 2025 tot en met december 2025,
5.5.
veroordeelt [werkgever] om [werknemer] binnen twee weken na dit vonnis toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden dan wel tot het verrichten van passende arbeid, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.6.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] correcte loonstroken te verstrekken van alle betalingen, en wel binnen een week na betaling,
5.7.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van een bedrag van € 731,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.8.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.860,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 12 mei 1989, LJN:AC2497, NJ 1989,801