ECLI:NL:RBLIM:2026:1075

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
ROE 26/70
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening invordering dwangsommen wegens gebrek aan spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een invorderingsbeschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld, waarin een bedrag van €3.000,- aan verbeurde dwangsommen wordt gevorderd. Deze dwangsommen zijn opgelegd vanwege overtreding van een omgevingsvergunning en zijn onherroepelijk geworden nadat verzoeker zijn bezwaarprocedure had ingetrokken.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij financiële geschillen spoedeisend belang niet snel wordt aangenomen, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald. Verzoeker heeft onvoldoende aangetoond dat de invordering tot acute financiële nood leidt. Ook is niet gebleken dat de invordering onevenredige of onomkeerbare gevolgen heeft.

De inhoudelijke bezwaren van verzoeker kunnen in de bezwaarprocedure worden behandeld. Er is geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/70

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Voerendaal, verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld, het college
(gemachtigde: mr. G.B. Falkenberg).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een aan hem opgelegde invorderingsbeschikking. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 16 mei 2025 is aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd in verband met een overtreding van een aan hem verleende omgevingsvergunning. Deze last is, nadat verzoeker zijn daartegen aanhangige bezwaarprocedure heeft ingetrokken, onherroepelijk geworden.
2.1.
Verzoeker heeft na het verstrijken van de (verlengde) begunstigingstermijn, op
6 november 2025 alsnog voldaan aan de last onder dwangsom.
Volgens het college betekent dit dat hij tot die tijd, vanaf het aflopen van de (meermaals verlengde) begunstigingstermijn op 20 oktober 2025, driemaal een dwangsom heeft verbeurd. Volgens het college is het totaal aan verbeurde dwangsommen € 3.000,-. Op
10 december 2025 heeft het college aan verzoeker kenbaar gemaakt voornemens te zijn dit bedrag te gaan invorderen.
2.2.
Het college is met het bestreden besluit van 22 december 2025 overgegaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3.1.
Verzoeker stelt dat zijn spoedeisend belang is gelegen in onderliggende juridische vraagstukken, voornamelijk ten aanzien van de rechtmatigheid van de last onder dwangsom die voorafgaand aan het bestreden besluit aan hem is opgelegd. Over de financiële gevolgen heeft verzoeker gesteld dat er acute financiële risico’s zullen ontstaan door de invordering. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op geen enkele manier, met bankafschriften of anderszins, heeft aangetoond dat het bedrag van de invorderingsbeschikking zodanig hoog is, dat er acute financiële nood ontstaat. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat de invordering van de dwangsom van € 3.000,- onevenredige of onomkeerbare gevolgen voor verzoeker zou hebben. De inhoudelijke gronden die verzoeker aanvoert kunnen gedurende de bezwaarprocedure worden behandeld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker geen enkel spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
3.2.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich niet voor.
4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 3 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 februari 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.