AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid van eiser in verzet na faillissement wegens verlies beschikkingsbevoegdheid
De rechtbank Limburg behandelde op 11 februari 2026 een zaak waarin eiser in verzet, na haar faillietverklaring op 1 juli 2025, een verzetdagvaarding, een eis in reconventie en een incidentele vordering had ingesteld tegen een verstekvonnis. De curator stelde zich op het standpunt dat alleen hij bevoegd is om rechtsvorderingen te voeren betreffende het faillissementsvermogen, waardoor eiser niet-ontvankelijk is.
De rechtbank overwoog dat ingevolge artikel 23 enPro 25 van de Faillissementswet de gefailleerde de beschikking en het beheer over haar vermogen verliest en dat rechtsvorderingen waarbij de boedel betrokken is alleen door de curator kunnen worden ingesteld of voortgezet. Hierdoor is eiser niet-ontvankelijk in haar verzet en vorderingen.
De rechtbank veroordeelde eiser in de proceskosten van de wederpartij en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De curator had zelf reeds verzet ingesteld tegen het verstekvonnis, zodat het verstekvonnis niet definitief wordt door de niet-ontvankelijkheid van eiser.
Uitkomst: Eiser in verzet is niet-ontvankelijk wegens verlies van beschikkingsbevoegdheid na faillissement; proceskosten worden aan eiser opgelegd.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/343853 / HA ZA 25-324
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[partij 1],
te [plaats 1],
eisende partij in verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 1],
advocaat: mr. M.A. Ploemen (onttrokken per 1 oktober 2025),
tegen
[partij 2],
te [plaats 2],
gedaagde partij in verzet,
oorspronkelijk eisende partij,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2],
advocaat: mr. Y.K. Kunze.
1.De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de rolbeslissing van 24 december 2025,
het exploot van oproeping van de curator mr. R.J.H.M. Crombaghs (hierna: de curator) van 13 januari 2026,
de brief van de curator van 19 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De beoordeling
in conventie, in reconventie en in het incident
2.1.
Bij rolbeslissing van 24 december 2025 is [partij 2] in de gelegenheid gesteld om ter zake de vorderingen in conventie, in reconventie en in het incident de curator tot overneming van het geding op te (doen) roepen tegen de rolzitting van 21 januari 2026. [partij 2] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
2.2.
Per brief van 19 januari 2026 heeft de curator zich uitgelaten. De curator stelt het door [partij 1] na faillietverklaring ingestelde verzet tegen het verstekvonnis van 21 mei 2025 niet over te nemen. De curator wijst erop dat op grond van artikel 25 FaillissementswetPro (Fw) uitsluitend de curator bevoegd is om na faillietverklaring rechtsvorderingen betreffende het faillissementsvermogen in te stellen of voort te zetten. Na het uitspreken van het faillissement verliest [partij 1] haar bevoegdheid om zelf op te treden in procedures betreffende haar vermogen. Dit geldt ook voor het instellen van verzet. [partij 1] is daarom niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde verzet, aldus de curator. Verder stelt de curator zelf reeds verzet te hebben ingesteld tegen het verstekvonnis, zodat het niet-ontvankelijk verklaren van [partij 1] niet tot gevolg heeft dat het verstekvonnis definitief wordt.
2.3.
Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft [partij 2] eveneens aangevoerd dat [partij 1] ingevolge de faillietverklaring van 1 juli 2025 niet langer bevoegd is om tegen het verstekvonnis verzet aan te tekenen en een eis in reconventie in te stellen.
2.4.
De rechtbank overweegt als volgt.
[partij 1] is op 1 juli 2025 in staat van faillissement verklaard. Na dat faillissement heeft [partij 1] op 10 juli 2025 een verzetdagvaarding uitgebracht, een eis in reconventie en een incidentele vordering ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 23 FwPro verliest [partij 1] de beschikking en het beheer over haar tot het faillissement behorende vermogen. Op grond van artikel 25 FwPro dienen rechtsvorderingen waarbij de boedel betrokken is, zowel tegen als door de curator ingesteld te worden. De gefailleerde is daarbij geen partij. Dat heeft tot gevolg dat [partij 1] niet-ontvankelijk is in het verzet, in de eis in reconventie en in het incident.
2.5.
[partij 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van [partij 2] moeten betalen. De proceskosten van [partij 2] (in conventie, in reconventie en in het incident) worden begroot op:
verklaart [partij 1] niet-ontvankelijk in haar verzet en in haar vorderingen in reconventie en in het incident,
3.2.
veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van € 1.977,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [partij 1] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.