Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de productie van Woonpunt
- de producties van [gedaagde 1]
- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Limburg
Woonpunt verhuurde een woning aan [gedaagde 1], die deze in maart 2025 verliet wegens huiselijk geweld. De huurovereenkomst eindigde op 5 juni 2025 na opzegging door [gedaagde 1]. De ex-partner, [gedaagde 2], verblijft nog in de woning zonder huurrechten. Woonpunt vordert ontruiming en betaling van gebruiksvergoeding.
De kantonrechter oordeelt dat Woonpunt niet-ontvankelijk is jegens [gedaagde 1] omdat over haar goederen bewind is ingesteld en de vordering tegen de bewindvoerder had moeten worden ingesteld. Ten aanzien van [gedaagde 2] wordt vastgesteld dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft, de aanvraag voor medehuurderschap is uitgebleven en hij verantwoordelijk is voor het niet indienen van stukken.
De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming tegen [gedaagde 2] toe met een termijn van twee weken en veroordeelt hem tot betaling van een gebruiksvergoeding van €693,21 per maand vanaf 5 juni 2025. Beide partijen worden veroordeeld in hun proceskosten, waarbij Woonpunt de kosten van [gedaagde 1] moet vergoeden en [gedaagde 2] zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Woonpunt is niet-ontvankelijk jegens [gedaagde 1]; [gedaagde 2] wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling gebruiksvergoeding.