ECLI:NL:RBLIM:2026:1120

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/03/332384/ HA ZA 24-304
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Driever
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling herstelwerkzaamheden en meerwerk na open begroting onvoldoende onderbouwd

In deze civiele bodemzaak vordert de aannemer betaling van een openstaande factuur voor herstelwerkzaamheden en meerwerk aan een woning. De rechtbank heeft bij tussenvonnis de aannemer de gelegenheid geboden om de werkzaamheden en meerwerk nader te specificeren in een excelbestand. De aannemer heeft dit bestand overgelegd, maar zonder nadere toelichting of specificatie.

De gedaagden hebben aangevoerd dat de specificatie onvoldoende was om te beoordelen of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de bedragen juist zijn. De rechtbank deelt dit oordeel en stelt vast dat de aannemer onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij aanspraak heeft op het volledige gevorderde bedrag van € 32.751,13.

Verder is vastgesteld dat de opstalverzekering dekking bood voor herstelwerkzaamheden op basis van een open begroting van € 74.500,-, inclusief een bedrag voor een natuurstenen vloer die niet is gelegd. De kosten voor deze vloer zijn door de verzekeraar rechtstreeks aan een derde vergoed. Hierdoor komt het bedrag voor herstelkosten op € 44.366,-. Het meerwerk aan de badkamer is erkend voor € 13.934,95, zodat het totaal op € 58.270,95 komt.

De gedaagden hebben reeds € 54.192,77 betaald, waardoor een restant van € 4.078,18 resteert. De rechtbank wijst alleen dit bedrag toe met wettelijke rente vanaf 8 november 2023. Vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen vanwege het ontbreken van specificatie. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 4.078,18 met wettelijke rente, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/332384 / HA ZA 24-304
Vonnis bij vervroeging van 11 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
advocaat: mr. P.W.A.M. van Roy,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P.J.H.C. Glenz.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025 (hierna: het tussenvonnis)
- de akte van [eisende partij] met productie 12
- de akte van [gedaagden] met productie 1-11.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank aan [eisende partij] de gelegenheid geboden het totaal van de uitgevoerde verzekerde werkzaamheden en het meerwerk te specificeren in een excel bestand. Tijdens de zitting was namelijk gebleken dat de totaaltelling van de overgelegde open begroting [1] niet kan kloppen en hebben [gedaagden] als verweer herhaald dat de specificatie van de open begroting onvoldoende was om te kunnen beoordelen of [eisende partij] de werkzaamheden heeft verricht of materialen heeft geleverd voor de in rekening gebrachte posten.
2.2.
[eisende partij] heeft ter nadere onderbouwing van haar vordering en ter uitvoering van de in het tussenvonnis geboden gelegenheid, bij akte als productie 12 een nieuw excel bestand overgelegd. Dit bestand was niet voorzien van een nadere toelichting of specificatie.
2.3.
Met [gedaagden] is de rechtbank van oordeel dat [eisende partij] door het enkele overlegging van het nieuwe excel bestand en de overweging in het tussenvonnis dat de verwijzing naar de open begroting te algemeen van aard is ten spijt, onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om vast te kunnen stellen dat [gedaagden] nog een bedrag aan herstelkosten en meerwerk dienen te voldoen ter hoogte van € 32.751,13. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
2.4.
[gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat [eisende partij] de herstelwerkzaamheden zou verrichten voor het bedrag waarvoor de opstalverzekering dekking bood (zie ook rechtsoverweging 4.4 in het tussenvonnis). Deze dekking was gebaseerd op de open begroting van [eisende partij] voor in totaal € 74.500,-. In dit bedrag was begrepen een bedrag van € 30.164,- voor het vervangen van de natuurstenen vloer. Niet in geschil is dat uiteindelijk is gekozen voor een houten vloer in plaats van de natuurstenen vloer. De houten vloer is voor een bedrag van € 9.118,- gelegd door een derde (Profifloor) en door de verzekeraar rechtstreeks aan die derde vergoed. Dit betekent dat de kosten voor de natuurstenen vloer uit de open begroting van [eisende partij] gehaald moeten worden (deze kosten zijn immers niet door [eisende partij] gemaakt) waardoor het bedrag aan herstelkosten uitkomt op € 44.366 (€ 74.500,- minus € 30.164,-).
2.5.
Partijen zijn het verder eens dat [eisende partij] meerwerk (de badkamer) heeft verricht voor een bedrag van € 13.934,95 zoals blijkt uit het door [gedaagden] gemaakte kostenoverzicht [2] . De kosten voor het door [eisende partij] uitgevoerd herstelwerk inclusief meerwerk komen daarmee in totaal uit op € 58.270,95 (€ 44.366,- plus € 13.934,95).
2.6.
[eisende partij] heeft van [gedaagden] betaling ontvangen van een factuur ter hoogte van € 46.500,- (factuur 1) en van een factuur ter hoogte van € 7.087,77 (factuur 3). In deze laatste factuur was een bedrag van € 500,- exclusief btw (€ 605,- inclusief btw) afgetrokken vanwege “herstel/vervangen hordeuren” [3] . Indien deze aftrek buiten beschouwing wordt gelaten (deze houdt namelijk geen verband met de open begroting of meerwerk) dan hebben [gedaagden] voor het schadeherstel en meerwerk aan [eisende partij] dus voldaan een bedrag van € 54.192,77 (€ 46.500,- plus € 7.087,77 plus € 605,-). Wanneer dit bedrag wordt afgetrokken van de hiervoor onder 2.5 berekende totale kosten ter hoogte van € 58.270,95 dan resteert volgens deze berekening een nog door [gedaagden] te betalen bedrag van € 4.078,18.
2.7.
Vanwege het ontbreken van een specificatie en/of toelichting bij het door [eisende partij] overgelegde excel bestand, valt niet na te gaan waarom [eisende partij] aanspraak zou hebben op meer dan het bedrag van € 4.078,18, laat staan het door haar gevorderde factuurbedrag van € 32.751,13. Dit betekent dat aan hoofdsom slechts toewijsbaar is een bedrag van € 4.078,18 en dat het meerdere als onvoldoende onderbouwd dient te worden afgewezen. Over het toegewezen bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 8 november 2023 omdat [gedaagden] vanaf die datum met betaling in verzuim was. Voor toewijzing van wettelijke handelsrente is in deze zaak geen plaats, omdat [gedaagden] particulieren zijn.
2.8.
Omdat [eisende partij] in het buitengerechtelijke traject, ondanks de verzoeken [gedaagden] om een specificatie van de kosten, geen duidelijkheid heeft verschaft over het nog verschuldigde bedrag ziet de rechtbank geen grond voor vergoeding van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.
2.9.
Omdat [eisende partij] voor een groot deel in het ongelijk is gesteld, maar [gedaagden] een erkende vordering helemaal onbetaald heeft gelaten, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 4.078,18, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2023,
3.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Driever en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Voetnoten

1.Productie 11 bij dagvaarding
2.Productie 13 bij conclusie van antwoord
3.Productie 1 bij dagvaarding