ECLI:NL:RBLIM:2026:1128

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/03/347646 / KG ZA 25-478
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 8 EVRMArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering intrekking en rectificatie bericht ziekenhuis over medewerker

De Limburger heeft in een kort geding gevorderd dat het MUMC+ wordt bevolen een bericht op haar intranet en aan derden te verwijderen en te rectificeren. Dit bericht nam afstand van eerdere media-aandacht over grensoverschrijdend gedrag binnen de afdeling pathologie, waarbij de krant en haar onderzoeksjournalist werden genoemd als verspreiders van onjuiste informatie.

De rechtbank stelt vast dat het bericht van het MUMC+ een uiting van vrije meningsuiting betreft, waarin het ziekenhuis een eigen standpunt over de berichtgeving inneemt. Hoewel de krant zich gekrenkt voelt in haar eer en goede naam, is niet aannemelijk dat het bericht onrechtmatig is jegens De Limburger. De verwijzing naar 'de media' is algemeen en niet specifiek gericht op De Limburger, en de lezers kunnen het bericht in de juiste context plaatsen.

De rechtbank benadrukt dat de belangen van de artsen in opleiding, die in de publicaties centraal stonden, niet aan de zijde van De Limburger kunnen worden toegerekend. De Limburger wordt niet gehinderd in haar publicatiefunctie en de vrijheid van meningsuiting van het MUMC+ weegt in deze situatie zwaarder.

Daarom worden de vorderingen van De Limburger afgewezen en wordt zij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van De Limburger af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/347646 / KG ZA 25-478
Vonnis in kort geding van 3 februari 2026
in de zaak van
MEDIAHUIS NEDERLAND B.V., h.o.d.n. MEDIAHUIS LIMBURG,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: De Limburger,
advocaat: mr. Ch.E. Koster,
tegen
ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT h.o.d.n. MAASTRICHT UMC +,
te Maastricht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: MUMC+,
advocaten: mrs. M.E. Lips en D.M. Wille.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 20,
- de producties 1 tot en met 4 van het MUMC+,
- de producties 21 tot en met 25 van De Limburger en de herstelde producties 2, 3 en 12 van De Limburger,
- productie 26 van De Limburger,
- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026,
- de pleitnota van De Limburger,
- de pleitnota van het MUMC+.

2.De feiten

2.1.
Het MUMC+ houdt zich als academisch ziekenhuis bezig met (onder andere) het verlenen van gezondheidszorg en het aanbieden van onderwijs.
2.2.
Naar aanleiding van signalen over het opleidingsklimaat binnen de afdeling pathologie van het MUMC+, heeft de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (hierna: RGS) een visitatie uitgevoerd bij deze afdeling. De Raad van Bestuur van het MUMC+ heeft vervolgens een intern onderzoek gelast naar de opleiding pathologie. Dat onderzoek heeft geleid tot een rapport van 25 april 2025. Het hoofd van de afdeling pathologie was [naam hoofd pathologie] (hierna: [naam hoofd pathologie] ).
2.3.
De RGS heeft op 1 juli 2025 de erkenning van de opleiding pathologie bij het MUMC+ ingetrokken. [1] De RGS heeft ook de erkenning van [naam hoofd pathologie] , die plaatsvervangend opleider pathologie was, ingetrokken. Het besluit van de RGS is gebaseerd op de bevindingen van de visitatiecommissie, die een interne audit heeft uitgevoerd. In die bevindingen staat onder meer het volgende.
We constateren dat er al een lange tijd een onveilig opleidingsklimaat bestaat. De aiossen [2] hebben grensoverschrijdend gedrag in alle vijf de domeinen van de Arbowet gemeld bij de vertrouwenspersoon. De aiossen ervaren grensoverschrijdend gedrag van vooral de plaatsvervangend opleider (..) De plaatsvervangend opleider is tevens afdelingshoofd en vanwege deze (dubbel)functie heeft hij grote invloed op de opleidingsgroep. (..) De visitatiecommissie constateert dat aiossen onveiligheid en grensoverschrijdend gedrag met impact op hun persoonlijk welbevinden ervaren. De aiossen signaleren een diepgewortelde gesloten cultuur met sociale en psychologische onveiligheid waarin geen tegenspraak aanwezig is. (..)
2.4.
Aan de intrekking door de RGS is een zienswijze gesprek vooraf gegaan. In het verslag van dit zienswijzegesprek dat heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025 is met betrekking tot [naam hoofd pathologie] onder meer het volgende gezegd door een toenmalig lid van de Raad van Bestuur van het MUMC+. [3]
Voor hem is terugkeer in de vakgroep uitgesloten vanwege het feit 1) dat hij ‘cultuurdrager’ was èn 2) dat dit hoogstwaarschijnlijk onveranderbaar is.
2.5.
De Limburger geeft een gelijknamig dagblad uit. Zij heeft daarin in de periode van maart 2025 tot en met mei 2025 artikelen gepubliceerd die gaan over misstanden, in de vorm van grensoverschrijdend gedrag, bij de afdeling pathologie van het MUMC+. In die artikelen was veel aandacht voor de rol van [naam hoofd pathologie] . [4] De artikelen zijn geschreven door [naam onderzoeksjournalist] , onderzoeksjournalist werkzaam bij De Limburger.
2.6.
Op enig moment hebben het MUMC+ en [naam hoofd pathologie] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over het vertrek van [naam hoofd pathologie] bij het MUMC+.
2.7.
De Raad van Bestuur van het MUMC+ heeft op 27 of 28 november 2025 een bericht op het intranet van het MUMC+ geplaatst (hierna: het bericht) [5] .
Het bericht is op intranet ingeleid met de volgende omschrijving [6] .
De Raad van Bestuur heeft met [naam hoofd pathologie] afspraken gemaakt. Daarin is op verzoek van [naam hoofd pathologie] een bepaling opgenomen dat de Raad van Bestuur verklaart dat de Raad van Bestuur afstand neemt van berichtgeving in de media over [naam hoofd pathologie] .
Het bericht/de verklaring, zoals geplaatst op intranet, luidt als volgt.
Verklaring MUMC+ neemt afstand van berichtgeving over [naam hoofd pathologie] in de media
De Raad van Bestuur van het MUMC+ neemt nadrukkelijk afstand van berichtgeving in de media over [naam hoofd pathologie] in zijn rol van afdelingshoofd van de afdeling Pathologie. Onafhankelijk onderzoek toont aan dat de aantijgingen in publicaties in de periode van maart tot en met juni 2025 niet op feiten berusten.
Onder leiding van [naam hoofd pathologie] heeft de afdeling Pathologie in de afgelopen 15 jaar een ingrijpende modernisering doorgemaakt. Het instituut werd fundamenteel vernieuwd, moleculaire pathologie bereikte een internationaal erkend niveau en digitale pathologie werd succesvol geïntroduceerd in het MUMC+.
Naar aanleiding van signalen van arts-assistenten over het leer- en werkklimaat op de afdeling Pathologie werd een zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek ingesteld binnen de afdeling Pathologie naar mogelijke sociale onveiligheid en mogelijk grensoverschrijdend gedrag.
Uit dit onafhankelijke onderzoek is gebleken dat [naam hoofd pathologie] zich niet schuldig heeft gemaakt aan juridisch verwijtbare sociale onveiligheid en/of grensoverschrijdend gedrag. Desondanks verschenen berichten in de media over diverse vormen van grensoverschrijdend gedrag door [naam hoofd pathologie] .
De negatieve berichtgeving heeft grote impact op [naam hoofd pathologie] , die hierdoor persoonlijk en professioneel is getroffen. De Raad van Bestuur betreurt de wijze waarop deze situatie is gepresenteerd en de negatieve impact die dit heeft op zijn persoonlijke situatie. De Raad van Bestuur spreekt zijn dank uit voor zijn waardevolle bijdrage en jarenlange inzet.
2.8.
Het bericht is door het MUMC+ naar de volgende media gezonden: De Limburger, universiteitskrant de Observant en De Nieuwe Ster, een (digitale) krant voor Maastricht. Deze laatste heeft er op 28 november 2025 een artikel aan gewijd. [7] Het bericht is daarnaast door het MUMC+ gedeeld met een aantal (regionale) ziekenhuizen/medische instellingen. [8]
2.9.
Het MUMC+ heeft De Limburger in het kader van een verzoek op grond van de Wet open overheid op 11 december 2025 een deels geanonimiseerd exemplaar van het rapport van 25 april 2025 toegezonden. [9]
2.10.
In opdracht van de Raad van Bestuur van het MUMC+ is er een organisatiebreed cultuuronderzoek door de Boston Consulting Group bij het MUMC+ uitgevoerd. [10] De resultaten van dit onderzoek zijn met de medewerkers gedeeld op 17 en 18 december 2025. Het onderzoek concludeert onder andere dat er veel plekken zijn waar medewerkers met plezier werken, maar op sommige afdelingen zou er op grond van dit onderzoek sprake zijn van terugkerende, negatieve en elkaar versterkende patronen.
2.11.
Het MUMC+ is niet ingegaan op het verzoek van De Limburger om het bericht te rectificeren. [11]

3.Het geschil

3.1.
De Limburger vordert, kort samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
om het MUMC+ te bevelen om binnen 24 uur na dit vonnis:
I. opgave te doen van alle partijen en alle communicatiekanalen aan wie zij het bericht heeft bekend gemaakt,
II. het bericht in beide varianten te verwijderen en verwijderd te houden van door haar beheerde websites en communicatiekanalen,
III. een rectificatie te plaatsen op haar website en haar intranet,
alsmede veroordeling van het MUMC+
IV. tot betaling van een dwangsom bij overtreding van, naar de voorzieningenrechter begrijpt, de onder I tot en met III omschreven bevelen,
V. in de kosten van de procedure.
3.2.
Het MUMC+ voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang is door De Limburger gesteld, door het MUMC+ niet betwist, en volgt uit de aard van de zaak.
De vraag die voorligt
4.2.
De Limburger legt aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van een onrechtmatige daad van MUMC+ bestaande uit de aantasting van de eer en goede naam van De Limburger en van haar journalist [naam onderzoeksjournalist] . De Limburger stelt daartoe – kort gezegd – enerzijds dat haar berichtgeving over de afdeling pathologie van het MUMC+ hun basis vinden in omvangrijk en zorgvuldig onderzoek en anderzijds dat evident is dat het MUMC+ haar bericht heeft uitgebracht met geen enkel ander doel dan de vaststellingsovereenkomst met [naam hoofd pathologie] na te komen. De Limburger wordt, zo stelt zij, ten onrechte beschuldigd van het brengen van nepnieuws en het verspreiden van desinformatie.
4.3.
Gezien de inhoud van de vorderingen, staan in deze zaak twee hoogwaardige belangen/grondrechten tegenover elkaar. Enerzijds het recht van De Limburger op bescherming van haar eer en goede naam tegen lichtvaardige blootstelling aan negatieve publicaties (artikel 8 EVRM Pro) en anderzijds de vrijheid van het MUMC+ om een mening te uiten (artikel 10 EVRM Pro). Welk van deze grondrechten voorrang dient te krijgen, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval. [12] De relevante omstandigheden van het geval zullen hierna worden besproken, na enkele inleidende opmerkingen.
Vooraf
4.4.
Er zijn geen aanwijzingen dat De Limburger met het publiceren van de artikelen over het MUMC+ en [naam hoofd pathologie] onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld. Het MUMC+ heeft erop gewezen dat de karakteriseringen over [naam hoofd pathologie] in die artikelen soms confronterend en hard zijn. Vast staat echter dat De Limburger daarbij valide bronnen citeert, zodat haar dat niet kan worden verweten. Omdat het niet de handelwijze van De Limburger is die in deze procedure ter toetsing voorligt, is deze vaststelling voor de beoordeling van het geschil overigens van beperkt belang.
4.5.
De verwikkelingen op de afdeling pathologie van het MUMC+ en de rol van het (voormalig) afdelingshoofd [naam hoofd pathologie] daarin, hebben de aanleiding gevormd voor de publicaties van De Limburger en het bericht van het MUMC+. De aan de voorzieningenrechter beschikbare informatie (waaronder de conclusies van de RGS [13] ) bevat sterke aanwijzingen dat (in ieder geval sommige) artsen in opleiding binnen de afdeling pathologie zijn benadeeld door een werkcultuur en een handelwijze waarvoor [naam hoofd pathologie] (mede) verantwoordelijk was. De voorzieningenrechter wil daar niets aan af doen, maar moet daarnaast opmerken dat de daarmee geschade belangen niet de belangen van De Limburger zijn. Daarom kunnen deze belangen in zoverre niet meewegen in de beoordeling binnen dit kort geding. Dit wordt opgemerkt omdat De Limburger de belangen van de artsen in opleiding verschillende malen aanhaalt bij de onderbouwing van haar stellingen [14] . De Limburger kan zich die belangen echter niet toe-eigenen en aan haar vorderingen ten grondslag leggen.
4.6.
De Limburger beroept zich ter onderbouwing van haar vorderingen ook op haar rol als public watchdog. [15] Met die term wordt gedoeld op de bijzonder positie die de pers heeft in het openbare debat en het door het publiek kritisch kunnen controleren van overheden of andere instituten met macht. In de sleutel van het recht op vrije meningsuiting geldt die functie daarom als rechtvaardiging voor de grote vrijheid die media moeten hebben om te kunnen publiceren over (mogelijke) misstanden, ook al staat dat de partij niet aan. Daarmee wordt duidelijk dat de public watchdog-functie in deze zaak geen rol speelt. Het is namelijk niet de vrijheid van meningsuiting van De Limburger die in het geding is (maar die van het MUMC+). De Limburger is of wordt op geen enkele manier gehinderd bij het publiceren over [naam hoofd pathologie] en het MUMC+ en dat is ook niet de inzet van deze procedure.
Wordt in het bericht verwezen naar De Limburger?
4.7.
Het MUMC+ voert aan dat in het bericht wordt gesproken over de berichtgeving van ‘de media’ in zijn algemeenheid en dat De Limburger niet bij naam wordt genoemd. Dat is op zich juist. Aan de hand van de in het geding gebrachte publicaties [16] kan echter worden vastgesteld dat het eigenlijk alleen De Limburger is die zich gedurende langere tijd bezig heeft gehouden met uitgebreide verslaggeving over hetgeen zich op de afdeling pathologie van het MUMC+ afspeelde en dat door andere media naar deze verslaggeving werd verwezen. Dat De Limburger aanneemt dat (met name) op haar wordt gedoeld waar het bericht over ‘de media’ spreekt, is daarom volstrekt begrijpelijk.
De gemiddelde lezer / de impact van het bericht
4.8.
Dat De Limburger de verwijzing naar ‘de media’ terecht op zichzelf betrekt, betekent echter nog niet dat de gemiddelde lezer van het bericht ook de link naar de verslaggeving door De Limburger over de afdeling pathologie legt. En dat is wat in dit kader met name van belang is.
4.9.
Voor zover de lezer van het bericht wel de link legt naar de publicaties van De Limburger, is het aannemelijk dat deze ook kennis heeft genomen van die publicaties. Het is moeilijk voorstelbaar dat de lezers van zowel de publicaties van De Limburger als het bericht van MUMC+, zullen concluderen dat De Limburger fout zat (waarover meer bij de verdere bespreking van de inhoud van het bericht). De publicaties van De Limburger zijn kenbaar gebaseerd op onderzoeksbevindingen zoals het visitatierapport van de RGS en de voorgenomen besluitvorming van de RGS omtrent de intrekking van de opleiding en het raadplegen van bronnen zoals artsen in opleiding op de afdeling pathologie. Het bericht van het MUMC+ is algemeen geformuleerd en biedt geen concreet inzicht in de grondslag ervan.
Verspreiding / kring van kennisname
4.10.
Niet in geschil is dat het bericht eerst is geplaatst op het intranet van het MUMC+ en dus een intern medium dat (enkel) door medewerkers van het MUMC+ kan worden geraadpleegd. Het betreft daarmee een relatief beperkte kring adressanten. Het betreft bovendien een groep mensen die gemiddeld genomen geacht kunnen worden op de hoogte te zijn van wat er speelde en daarmee de (correctheid van) het bericht in de juiste context konden plaatsen. De inleidende tekst bij het intranetbericht maakt verder duidelijk dat het bericht voort is gekomen uit onderhandelingen tussen het MUMC+ en [naam hoofd pathologie] (met als uitkomst het vertrek van [naam hoofd pathologie] bij het MUMC+). Dat maakt voor de gemiddelde lezer duidelijk dat het besluit om het bericht op te stellen (groten)deels is ingegeven door de wens om een voor het MUMC+ en de betrokken medewerkers zeer problematische situatie af te kunnen sluiten. Verondersteld mag daarom worden dat dàt ook de boodschap was die met de plaatsing van het intranetbericht werd uitgedragen en dat deze boodschap ook zo is ontvangen. Dat het intranetbericht bij deze groep adressanten negatief uitstraalt op De Limburger is met het voorgaande in gedachten dan ook onaannemelijk.
4.11.
Weliswaar is het bericht kennelijk zonder de inleidende tekst aan De Limburger, De Nieuwe Ster en de Observant gezonden, waardoor de context minder eenvoudig is te duiden, maar daarbij is wel vermeld dat het een intranetbericht betrof (zo heeft MUMC+ onweersproken gesteld). Dit betekent dat het voor de betrokken media in ieder geval duidelijk moest zijn dat het een bericht betrof dat primair bestemd was voor de eigen medewerkers van het MUMC+.
De inhoud van het bericht
4.12.
Met betrekking tot de inhoud van het bericht spitst het debat zich toe op de hierna te bespreken onderdelen.
4.12.1.
Het afstand nemen van de berichtgeving in de media
In het bericht staat dat de Raad van Bestuur van het MUMC+
‘nadrukkelijk afstand neemt van berichtgeving in de media over [naam hoofd pathologie] ’. Het staat het MUMC+ naar het oordeel van de voorzieningenrechter zonder meer vrij om een bericht met die inhoud naar buiten te brengen. Zij ventileert daarmee een opinie en het gaat niet aan haar daarin te beperken, ook niet wanneer die opinie geen grondslag zou hebben in de feiten.
4.12.2.
[naam hoofd pathologie] heeft zich niet schuldig gemaakt aan juridisch verwijtbaar gedrag
In het bericht staat verder dat
‘uit onafhankelijk onderzoek is gebleken dat [naam hoofd pathologie] zich niet schuldig heeft gemaakt aan juridisch verwijtbare sociale onveiligheid en/of grensoverschrijdend gedrag’. In de daarop volgende zin staat: ‘
Desondanks verschenen in de media berichten over diverse vormen van grensoverschrijdend gedrag door [naam hoofd pathologie] ’.
De Limburger heeft er enerzijds terecht op gewezen dat zij [naam hoofd pathologie] in haar berichtgeving niet heeft beschuldigd van ‘juridisch verwijtbaar’ grensoverschrijdend gedrag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan anderzijds niet worden aangenomen dat het MUMC+ met het gebruik van het woordje 'desondanks' betoogt dat De Limburger dat wel gedaan heeft. Het onafhankelijk onderzoek waaraan het MUMC+ in haar bericht refereert betreft kennelijk het onderzoek dat heeft geleid tot het rapport van 25 april 2025 [17] . Met haar bericht kan het MUMC+ dus evengoed hebben bedoeld dat zij de conclusies in dat rapport - waaronder 'geen juridisch verwijtbaar gedrag' - niet te rijmen vindt met eerdere berichtgeving over het verwijtbare gedrag (anderszins, dus niet juridisch verwijtbaar). De inhoud van het rapport waarop het MUMC+ zich beroept was op dat moment nog niet bekend bij De Limburger, zodat het niet voor de hand ligt dat het MUMC+ De Limburger verwijt daarmee geen rekening te hebben gehouden. Een taalkundige zou misschien tot een andere conclusie kunnen komen, maar het ingrijpen in het recht op vrije meningsuiting behoort niet plaats te vinden aan de hand van het taalkundig fileren van een tekst. De boodschap van het MUMC+ in het bericht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onmiskenbaar dat De Limburger zich schuldig zou hebben gemaakt aan het aan [naam hoofd pathologie] verwijten van juridisch onoorbaar gedrag.
4.12.3.
De aantijgingen in de publicaties berusten niet op feiten
In het bericht staat ook dat
‘onafhankelijk onderzoek aantoont dat de aantijgingen in publicaties in de periode maart tot en met juni 2025 niet op feiten berusten’. De Limburger neemt hier aanstoot aan omdat zij erin leest dat zij wordt beschuldigd van het brengen van nepnieuws. Aan De Limburger kan worden toegegeven dat het MUMC+ met het bericht ontegenzeglijk (ook) zegt dat zij van mening is dat de inhoud van publicaties in de media – waaronder De Limburger - over grensoverschrijdend gedrag van [naam hoofd pathologie] feitelijke onjuistheden bevatten. Het MUMC+ heeft er echter terecht op gewezen dat in haar bericht niet staat dat de publicaties van De Limburger
als zodanigfout waren. Er wordt in het bericht geageerd tegen de in publicaties opgenomen
aantijgingendie (uiteraard) niet afkomstig zijn van De Limburger zelf maar alleen door haar zijn opgetekend.
De conclusie
4.13.
Het is volledig te begrijpen dat De Limburger het absoluut oneens is met de inhoud van het bericht van het MUMC+. Gegeven de verdere omstandigheden van het geval, zoals hiervoor aangehaald, betekent dat echter niet dat het MUMC+ met het uitgeven en het beperkt verspreiden van het bericht de denkbeeldige grens tussen vrijheid van meningsuiting en aantasting van eer en goede naam over is gegaan. Daarbij speelt een rol dat niet kan worden aangenomen dat de gemiddelde lezer die niet bekend was met de publicaties van De Limburger, zal concluderen dat de verwijzing naar ‘de media’ betrekking heeft op De Limburger. Dat zal anders zijn als de lezer bekend is met de publicaties in De Limburger, maar dan is niet aannemelijk dat het negatief afstraalt op De Limburger. Verder is relevant dat degenen voor wie het bericht met name bedoeld is, het in de juiste context kunnen en zullen plaatsen en ook dat is niet nadelig voor De Limburger. Anderen hebben er kennis van kunnen nemen zonder de inleidende tekst, maar als dat is gebeurd zonder dat erbij is vermeld dat het een intern bericht betrof, is dat niet aan het MUMC+ te verwijten, die het bericht wel met die boodschap heeft verspreid. Voor zover de inhoud van het bericht een mening bevat, staat dat het MUMC+ ten opzichte van De Limburger vrij. Waar in het bericht een standpunt wordt ingenomen over de feiten, betoogt het MUMC+ niet evident dat de berichtgeving van De Limburger fout was, maar stelt zij aantijgingen van anderen zoals neergeschreven door De Limburger ter discussie.
4.14.
Wat hiervoor is overwogen betekent dat de vorderingen van De Limburger moeten worden afgewezen. Deze zijn namelijk alle gebaseerd op het standpunt dat het MUMC+ onrechtmatig ten opzichte van haar heeft gehandeld en dat kan in dit kort geding niet worden vastgesteld.
De proceskosten
4.15.
De Limburger is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het MUMC+ worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van De Limburger af,
5.2.
veroordeelt De Limburger in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als De Limburger niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt De Limburger tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
cb

Voetnoten

1.Zie productie 9 van De Limburger.
2.Artsen in opleiding tot specialist
3.Zie productie 10 van De Limburger.
4.Zie (herstelde) productie 3 van De Limburger met onder meer een publicatie van 28 maart 2025 en een publicatie van 31 mei 2025.
5.Zie productie 14 van De Limburger.
6.Zie productie 18 van De Limburger en productie 3 MUMC+.
7.Zie productie 15 van De Limburger.
8.Zie randnummer 7.4 van de pleitnota van het MUMC+.
9.Zie productie 17 van De Limburger.
10.Zie productie 12 van De Limburger.
11.Zie productie 20 van De Limburger.
12.Zie Hoge Raad 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221, en de daarop gevolgde jurisprudentie.
13.Zie randnummer 2.3 van dit vonnis.
14.Zie randnummer 37 en 43 van de dagvaarding en randnummer 21 van de pleitnota van De Limburger.
15.Zie randnummer 40 en 45 van de dagvaarding en randnummer 3 van de pleitnota van De Limburger.
16.Zie in dit verband onder meer (de herstelde) productie 3 en productie 15 van De Limburger en productie 1 van het MUMC+.
17.Zie randnummer 2.7. van dit vonnis.