ECLI:NL:RBLIM:2026:1154

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
12058990 CV EXPL 26-258
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Drenth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:96 BWArt. 1:14 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loondoorbetaling bij bedrijfsbeëindiging zonder ontslagvergunning

Werkneemster is sinds 1 februari 2021 in dienst als allround schoonmaakmedewerkster en sinds januari 2024 arbeidsongeschikt. Werkgever heeft op 9 oktober 2025 per e-mail de bedrijfsbeëindiging aangekondigd, maar heeft geen ontslagvergunning aangevraagd of de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Werkgever stopte vanaf oktober 2025 met het betalen van loon.

Werkneemster vordert betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag, eindejaarsuitkering, wettelijke verhogingen, rente en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter stelt vast dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt en dat werkgever verplicht is het loon door te betalen, ongeacht haar financiële situatie.

De gevorderde wettelijke verhogingen en rente worden toegewezen vanwege het betalingsverzuim. Ook de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt toegekend. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot loondoorbetaling en bijkomende vergoedingen tot het einde van de arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12058990 \ CV EXPL 26-258
Vonnis in kort geding van 4 februari 2026
in de zaak van
[werkneemster],
wonend te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [werkneemster],
gemachtigde: mr. M.C.W.C. van Zon,
tegen

1.[werkgever] V.O.F.,

gevestigd te [plaats 2],
2.
[vennoot 1], vennoot van gedaagde sub 1,
ex artikel 1:14 BW Pro woonplaats hebbend te [plaats 2],
3.
[vennoot 2], vennoot van gedaagde sub 1,
ex artikel 1:14 BW Pro woonplaats hebbend te [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [werkgever],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14
- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[werkneemster], geboren op [datum] 1971, is met ingang van 1 februari 2021 bij [werkgever] in dienst getreden in de functie van allround schoonmaakmedewerkster. Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van de Cao in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing. [1]
2.2.
[werkneemster] is sedert 19 januari 2024 wegens ziekte arbeidsongeschikt, welke arbeidsongeschiktheid tot heden voortduurt.
2.3.
Bij e-mailbericht van 9 oktober 2025 deelt [werkgever] aan [werkneemster] mee [2] :
“(…) Met deze mail willen we jou op de hoogte stellen van de bedrijfsbeëindiging van [werkgever]. (…) We zouden graag persoonlijk hierover het gesprek aangaan en de mogelijkheden bespreken. (…)”
2.4.
[werkneemster] reageert diezelfde dag per e-mail: [3]
“(…)Heel spijtig om dit te lezen, maar ik weet niet wanneer ik de kans heb om dit persoonlijk met jullie te bespreken, aangezien ik midden in het euthanasie traject zit met [persoon]. Is het mogelijk dat jullie de mogelijkheden en/of voorstellen op de mail zet voor me. (…)”
2.5.
[werkgever] betaalt, ondanks herhaalde sommatie, sedert oktober 2025 geen loon meer aan [werkneemster].
2.6.
[werkneemster] heeft op 2 december 2025 bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Bij beslissing van 8 januari 2026 heeft het UWV aan [werkgever] een loonsanctie opgelegd wegens het niet nakomen van alle re-integratie verplichtingen en de periode waarin [werkneemster] tijdens ziekte recht heeft op loon verlengd tot en met 16 februari 2027. [4]

3.Het geschil

3.1.
[werkneemster] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [werkgever] tot betaling van:
  • het loon van € 2.317,44 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiebijslag en 5% eindejaarsuitkering vanaf 1 oktober 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
  • € 1.488,95 bruto aan eindejaarsuitkering over 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
  • € 875,00 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten,
  • de proceskosten.
3.2.
[werkgever] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op het belang van [werkneemster], een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist. Dit spoedeisend belang vloeit reeds voort uit de aard van de vordering, nu het gaat om haar maandelijkse inkomsten.
4.2.
Beoordeeld moet worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat gerechtvaardigd is daarop door toewijzing van de vordering vooruit te lopen. Daarbij moet de kantonrechter thans uitgaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder nadere bewijsvoering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is.
4.3.
De mededeling van de bedrijfsbeëindiging bij e-mail van 9 oktober 2025 leidt niet automatisch tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de dan nog in dienst zijnde werknemer(s). Niet gebleken is dat [werkgever] een ontslagvergunning bij het UWV heeft aangevraagd en heeft verkregen ([werkgever] stelt daarmee bezig te zijn, maar ter zake dienende bescheiden zijn niet in het geding gebracht) dan wel dat zij met [werkneemster] de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden heeft beëindigd. Het vorenstaande brengt mee dat [werkneemster] nog in dienst is en dat [werkgever] het loon van [werkneemster] dient door te betalen. Met de door [werkgever] geschetste financiële omstandigheden (betalingsonmacht) die haar verhinderen haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst na te komen, kan geen rekening worden gehouden. Het betreffen omstandigheden die voor rekening en risico van [werkgever] komen en doen aan haar betalingsverplichting jegens [werkneemster] niet af. De gevorderde loondoorbetaling zal dan ook worden toegewezen.
4.4.
Nu betaling van diverse loonbedragen niet tijdig heeft plaatsgevonden, maakt [werkneemster] op goede gronden aanspraak op vergoeding van de wettelijke verhoging. De gevorderde wettelijke verhoging zal tot het maximum worden toegewezen omdat geen gronden zijn aangevoerd die tot matiging nopen. Schoonmaakservice stelt wel dat er sprake is van betalingsonmacht, maar ter zake dienende financiële stukken ter onderbouwing daarvan zijn niet in het geding gebracht.
4.5.
De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt eveneens voor toewijzing gereed.
4.6.
[werkneemster] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [werkneemster] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en [werkgever] heeft dat niet betwist. [werkneemster] heeft recht op een vergoeding van de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 875,00 zal dan ook worden toegewezen.
4.7.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werkneemster] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
157,82
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.431,82

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van:
  • het loon van € 2.317,44 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiebijslag en 5% eindejaarsuitkering vanaf 1 oktober 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over de achterstallige loonbedragen en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
  • € 1.488,95 bruto aan eindejaarsuitkering over 2025, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
  • € 875,00 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten,
5.2.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.431,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.

Voetnoten

1.Productie 14 dagvaarding
2.Productie 7 dagvaarding
3.Productie 8 dagvaarding
4.Productie 13 dagvaarding