Uitspraak
1.[werkgever] V.O.F.,
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
3.Het geschil
- het loon van € 2.317,44 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiebijslag en 5% eindejaarsuitkering vanaf 1 oktober 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
- € 1.488,95 bruto aan eindejaarsuitkering over 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
- € 875,00 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten,
- de proceskosten.
4.De beoordeling
5.De beslissing
- het loon van € 2.317,44 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiebijslag en 5% eindejaarsuitkering vanaf 1 oktober 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over de achterstallige loonbedragen en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
- € 1.488,95 bruto aan eindejaarsuitkering over 2025, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en het geheel (de optelsom) nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
- € 875,00 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten,