3.3Het oordeel van de rechtbank
Het strafrechtelijk onderzoek, met de naam Recuerdo, ziet op een vijftal brandstichtingen, dan wel pogingen daartoe, in de periode van donderdag 29 december 2022 tot en met woensdag 29 maart 2023. Gedurende het onderzoek zijn zeven personen als verdachte aangemerkt, te weten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . In de loop van het onderzoek komt naar voren dat deze (pogingen tot) brandstichtingen vermoedelijk verband met elkaar hebben en dat in wisselende samenstelling één of meerdere verdachten daarbij betrokken waren. Daarbij is telkens dezelfde familie slachtoffer geworden, te weten de familie [benadeelde 1] / [benadeelde 3] , bestaande uit mevrouw [benadeelde 1] (en haar echtgenoot de heer [benadeelde 2] ) en haar dochter mevrouw [benadeelde 3] met haar gezin (bestaande uit haar echtgenoot de heer [benadeelde 4] en hun drie kinderen).
Uit de verklaringen van de aangevers in het dossier blijkt dat in mei 2016 mevrouw [benadeelde 1] [naam 6] , gelegen aan de [adres 1] te Haelen, aan [naam 4] en zijn echtgenote heeft verkocht. Contractueel werd vastgelegd dat mevrouw [benadeelde 1] in het kasteel mocht blijven wonen. Sinds 2018 wonen (ook) mevrouw [benadeelde 3] en haar gezin in het bijgebouw van het kasteel.
Volgens de verklaringen van aangevers verslechterde de relatie tussen de familie [benadeelde 1] / [benadeelde 3] en [naam 4] na het overlijden van de echtgenote van [naam 4] . Daarnaast kwam de kleinzoon van [naam 4] in het kasteel wonen, wat leidde tot overlast. Volgens aangevers uitte [naam 4] sindsdien diverse beschuldigingen van diefstal aan het adres van [benadeelde 1] . Ook was sprake van verbale agressie en bedreigingen richting [benadeelde 1] en [benadeelde 3] , waarbij hij onder andere dreigde ‘zigeuners op hen af te sturen’. Op basis van dit conflict bestaat bij aangevers het vermoeden dat [naam 4] vervolgens personen heeft ingezet om de branden te stichten en de familie [benadeelde 1] / [benadeelde 3] schrik aan te jagen. Naar aanleiding van analyse van zendmast- en telecomgegevens werden diverse telefoonnummers afgeluisterd en opgenomen en zijn de verschillende verdachten bij de politie in beeld gekomen.
De rechtbank zal eerst de afzonderlijke branden bespreken en daarbij acht slaan op wie daarbij betrokkenheid had. Vervolgens zal de rechtbank bepalen wat de onderlinge rolverdeling was en of er al dan niet sprake was van medeplegen.
Ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, mede gelet op de omvang van de bewijsmiddelen, zijn de relevante bewijsmiddelen apart opgenomen in bijlage II. Op grond van die bewijsmiddelen zijn volgens de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.
29 december 2022 (feit 1)
Op donderdag 29 december 2022 omstreeks 01:57 uur werden aangeefster [benadeelde 1] en haar echtgenoot [benadeelde 2] in hun woning aan de [adres 2] te Neer, gewekt door een telefoontje van hun dochter, die op camerabeelden zag dat hun auto in brand stond. Vanaf de overloop nam de aangeefster waar dat twee auto’s op de oprit in brand stonden, waarbij de vlammen een hoogte van twee meter hadden bereikt. Vanwege de hevige rookontwikkeling, het dreigende ontploffingsgevaar en de vrees dat het vuur zou overslaan naar de woning, hebben de bewoners de woning niet verlaten. De brand aan de twee auto’s is vervolgens door de brandweer geblust.
Uit forensisch onderzoek bleek dat de auto’s door het vuur waren aangetast en gesmolten. Daarnaast werd schade aan de woning geconstateerd, waaronder hittebreuken in de ruiten naast de voordeur en aangetaste, bruin verkleurde kozijnen. De onderzoekers stelden vast dat er twee afzonderlijke brandhaarden waren tussen de voertuigen aan de voor- en achterzijde en dat zeer waarschijnlijk sprake is van brandstichting. Omdat motorvoertuigen doorgaans zeer fel branden met een grote hitteontwikkeling, bestond gezien de locatie van de auto’s een direct gevaar voor uitbreiding van de brand. Geconcludeerd werd dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Op het moment van het uitbreken van de brand lagen de bewoners in de woning te slapen.
Op basis van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kan worden geconcludeerd dat [medeverdachte 2] destijds gebruikmaakte van het telefoonnummer [nummer 1] en [medeverdachte 3] van + [nummer 2] . Het politieonderzoek heeft voorts uitgewezen dat [verdachte] de gebruiker was van het telefoonnummer + [nummer 3] . Dit volgt uit het feit dat [verdachte] met dit telefoonnummer op donderdag 24 november 2022 om 01:12 uur een melding heeft gedaan bij de politiemeldkamer met betrekking tot een incident op het adres [adres 3] in Eindhoven. Daarnaast had, zoals hierna zal worden geoordeeld, dit telefoonnummer in de nacht van 21 januari 2023 (feit 2) veelvuldig contact met [medeverdachte 2] , verplaatste dit telefoonnummer zich die nacht gelijktijdig met de bij feit 2 gebruikte Opel Vectra en concludeert de rechtbank dat [verdachte] in deze Opel Vectra heeft gezeten. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] het rond die tijd in een bericht naar [medeverdachte 3] erover dat ze beter op ‘die lange’ kunnen wachten, want die wil het wel doen en [verdachte] is lang, te weten 2.10 meter. Ook noemde [verdachte] zichzelf ‘lange’ toen hij de telefoon met het telefoonnummer + [nummer 4] (dat aan hem gekoppeld is door middel van stemherkenning) opnam met ‘Advocatenkantoor De Lange’.
Met deze vaststellingen kan worden geconstateerd op basis van de informatie uit de telefoon van [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 28 december 2022 met elkaar belden rond 17.21 uur. [medeverdachte 2] heeft in een van die gesprekken gezegd dat hij ‘hem’ niet kan bereiken en dat hij anders voor niets rijdt. [medeverdachte 3] antwoordde daarop dat hij tot 18:00 uur afwacht, dan komt en ernaartoe rijdt. Vervolgens laten de onderzochte telecomgegevens en zendmastgegevens zien dat de telefoons van [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] op 28 december 2022 vanaf 11:00 uur veelvuldig contact met elkaar hadden. Die middag bevonden de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]zich eerst in Veghel tussen 11:47 en 13:13 uur, waarna zij zich aan het eind van de middag, tussen 17:22 en 17:56 uur, allebei in Sint-Oedenrode bevonden. In de vroege avond verplaatsten zij zich richting het zuiden. Terwijl [medeverdachte 3] vanaf 18:47 uur vanuit Eindhoven richting Limburg reisde, volgden [medeverdachte 2] en [verdachte] rond 18:53 uur dezelfde route. [verdachte] werd om 19:42 uur en 19:56 uur gesignaleerd door een zendmast in Neer (Bergerstraat). Ook [medeverdachte 2] bevond zich in de omgeving van Neer en Haelen en belde toen met [verdachte] . Van 20:32 uur tot halverwege de nacht (00:29 uur op 29 december 2022) bevonden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zich in Nederweert. Vervolgens bevonden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] zich alle drie rond 01:30 uur op de [adres 2] in Neer. Nadat [verdachte] rond 01:10 uur al in de nabijheid is gesignaleerd, bevonden ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich omstreeks 01:27 uur onder de zendmast die direct dekking biedt aan de betreffende woning [adres 2] te Neer. Op dat specifieke moment zocht [medeverdachte 2] contact met [verdachte] , hetgeen niet lukte. Vervolgens reisden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] terug naar Noord-Brabant, waarbij [medeverdachte 2] om 02.00 uur is gesignaleerd in Eindhoven en [medeverdachte 3] om 02:37 uur in Best. [verdachte] is nog rond 02.00 uur gesignaleerd in Leende en Heeze. Hij is dan nog op de terugreis naar Eindhoven.
Deze bewegingen in Neer zijn ook vastgelegd op de camerabeelden van [adres 2] te Neer. Daaruit volgt dat vanaf 01:27 uur meermaals twee auto’s, een Volvo V40 (van [medeverdachte 3] ) en een Volkswagen Golf (waarin [verdachte] dan moet hebben gereden), door de straat reden. Om 01:40 uur kwam de Volkswagen Golf uit de richting van de plaats delict rijden, maar dan opvallend genoeg met de verlichting uit. Vervolgens wordt de verlichting weer aangezet. Daarna zijn er geen auto’s meer te zien. Op de camerabeelden is te zien dat rond 01.40 uur de brand aan de auto’s is ontstaan.
[medeverdachte 2] heeft over de feiten niet verklaard. [medeverdachte 3] heeft over 28 en 29 december 2022 verklaard dat hij op voorverkenning was met zijn Volvo V40, die op naam staat van zijn partner [naam 5] . Hem werd gevraagd of hij die nacht naar de [adres 2] in Neer kon rijden. Het adres kreeg hij in de middag van 28 december 2022 op een briefje. De opdracht was dat hij moest doorgeven of op dat adres iets verdachts was en of er auto’s bij dat adres stonden. Dit heeft hij gedaan en hiervoor kreeg hij geld. Hij verklaarde dat hij toen niet wist dat er brand zou worden gesticht, wel dat er mogelijk iets strafbaar zou plaatsvinden. Achteraf is hem verteld over de brandstichting en heeft hij het ook via zijn telefoon op internet opgezocht. Hij heeft bij alle feiten altijd contact gehad met maar één persoon, die hem de opdrachten gaf. Op basis van het veelvuldige contact tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] die dag en nacht, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze ene persoon [medeverdachte 2] is geweest, die hem de opdrachten met betrekking tot de brandstichtingen heeft gegeven.
Tussenconclusie
De rechtbank acht op basis van het forensisch onderzoek wettig en overtuigend bewezen dat op 29 december 2022, omstreeks 01:40 uur, brand is gesticht aan twee auto’s op de oprit van het adres [adres 2] te Neer, gemeente Leudal. Gelet op de onderbouwing van de forensisch onderzoekers is de rechtbank van oordeel dat sprake was van gemeen gevaar voor in de auto gelegen goederen, de nabijgelegen woning en levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.
[medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 3] opdracht gegeven om de voorverkenning te doen. Hij heeft hem ook het briefje met het adres gegeven. Gedurende 28 december 2022 hadden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] meerdere keren telefonisch contact. Omstreeks 20:00 uur zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] in afzonderlijke voertuigen langs het adres [adres 2] te Neer gereden om de locatie aan te wijzen en te bekijken. De uitvoering vond vervolgens plaats in de nacht: omstreeks 01:30 uur op 29 december 2022 voerde [medeverdachte 3] in zijn Volvo V40 de voorverkenning uit en rapporteerde aan [medeverdachte 2] . Ook [medeverdachte 2] was in de buurt van de locatie. Vervolgens vertrokken [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] beiden richting Noord-Brabant. Kort daarna stichtte [verdachte] de brand aan de voertuigen op de oprit en vertrok vervolgens naar Eindhoven. Dit laatste baseert de rechtbank op basis van het tijdstip van de brand, 01:40 uur, en de aanwezigheid van [verdachte] in Leende en Heeze rond 02:00 uur.
15 januari 2023
Op 15 januari 2023 heeft er een poging brandstichting plaatsgevonden aan een personenauto voor het huis aan de [adres 2] te Neer. De rechtbank heeft vastgesteld in de vonnissen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dat zij en een onbekend gebleven persoon (NN 8652) deze poging samen hebben gepleegd. [medeverdachte 3] heeft de situatie vooraf verkend en de onbekend gebleven persoon (NN 8652) is de uitvoerder geweest. [medeverdachte 2] heeft de opdrachten aan [medeverdachte 3] en de onbekend gebleven persoon (NN 8652) gegeven.
21 januari 2023 (feit 2)
Op 21 januari 2023 omstreeks 03:30 uur is brandgesticht bij de toegangspoort van [naam 6] , gevestigd op de [adres 4] te Haelen, gemeente Leudal. De uitbater [benadeelde 4] heeft hiervan aangifte gedaan. Uit het forensisch onderzoek is vast komen te staan dat de linkerhelft van de toegangspoort beroet was en delen van het hout door vuur en hitte waren aangetast. Ook op de keien van het pad voor de poort zat zwarte aanslag/beroeting. Daarbij was sprake van een positieve indicatie van een brandbare vloeistof op de linkerhelft van de poort en het straatwerk voor deze poorthelft. Geconcludeerd werd dat de brand hoogstwaarschijnlijk is veroorzaakt door het opzettelijk inbrengen van vuur bij een brandbare vloeistof en dat bij deze brand gemeen gevaar voor goederen was te duchten.
Uit de beschrijving van de camerabeelden van die nacht van de toegangspoort van het kasteel volgt dat er om 03.27 uur een Opel Vectra met kenteken [kenteken 1] achteruit de loopbrug opreed. De bestuurder van de auto stapte uit en liep met een zwartkleurig voorwerp, gelijkend op een jerrycan, in de richting van de houten toegangspoort en liep toen het beeld uit. Hij stak vervolgens de houten toegangspoort in brand. Immers, op het moment dat hij weer in beeld kwam, had hij het zwartkleurige voorwerp niet meer bij zich en was een oranjekleurige gloed te zien die steeds feller werd. Hij liep met versnelde pas/rende naar de auto en reed weg.
De Opel Vectra is drie weken later in Boxtel aangetroffen. Aan de achterzijde zat de kentekenplaat [kenteken 1] en aan de voorzijde kentekenplaat [kenteken 2] . De kentekenplaat [kenteken 2] was van een ander voertuig gestolen in Eindhoven tussen 14 en 15 januari 2025. Uit de ANPR-gegevens is gebleken dat een auto met kentekenplaat [kenteken 2] in de nacht van de brandstichting op 21 januari 2025 om 02:34 uur van Eindhoven naar het zuiden reed en om 03:50 uur weer onderweg was in de richting van Eindhoven. Uit de historische telefoon- en mastgegevens is gebleken dat ook de telefoon van [verdachte] die nacht omstreeks 02:45 uur van Eindhoven naar het zuiden reed: omstreeks dat tijdstip straalde hij een zendmast aan de Rijksweg A2 in Waalre aan welke zendmast dekking geeft aan de Rijksweg A2, onder andere een gedeelte van de A2 tussen knooppunt Leenderheide (Eindhoven) en Valkenswaard. Om 02:48 uur passeerde ook de Opel Vectra de ANPR-camera op de A2 bij Leende/Valkenswaard in de richting Weert.
In de woning in Eindhoven waar [verdachte] omstreeks 10 februari 2023 verbleef, is ook een kentekenplaat met het kenteken [kenteken 2] aangetroffen. Verder is uit DNA-onderzoek gebleken dat op het stuurwiel, de deurklink van de bestuurder van de aangetroffen Opel Vectra en op de schenktuit van een jerrycan, die in de deze auto lag, celmateriaal zat dat mogelijk afkomstig is van [verdachte] .
Voorts komt uit onderzoek naar voren dat de Opel Vectra vanaf 14 november 2022 op naam had gestaan van [naam 7] : [naam bedrijf] , [gegevens bedrijf] . Uit de verklaring van [medeverdachte 2] volgt dat dit het bedrijf van zijn vader is.
Een dag na de brandstichting heeft [medeverdachte 2] gebeld met [naam 4] . Na beëindiging van dit gesprek, heeft [medeverdachte 2] direct [verdachte] gebeld. Verder hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 19, 20 en 21 januari 2023 telefonisch contact gehad. Voorafgaand aan de brand zei [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 3] dat ze beter op ‘die lange’ kunnen wachten want die anderen durven toch niet, die weten wat er allemaal al is gebeurd. [medeverdachte 3] antwoordde daarop dat [medeverdachte 2] de baas is. Op 20 januari 2023 bespreken ze hoe laat ze zullen gaan en hoe laat ze verwacht worden bij ‘hem’. [medeverdachte 3] was om 21 januari 2023 om 01:00 uur in de nacht bij [medeverdachte 2] om hem op te halen. Om 03:38 uur, vlak na de brandstichting, stuurde [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] : 100% neef. De rechtbank maakt uit de context op dat dit zoiets moet betekenen als: [verdachte] is erheen gereden. Vervolgens zei [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 2] moet proberen om ‘hem’ te bereiken om te vragen of alles goed is gegaan. Een paar minuten later stuurde [medeverdachte 3] aan “ [nummer 5] ” dat hij niet meegaat omdat hij kapot is: hij was vanochtend pas weer thuisgekomen en dat dit al de hele week zo is.
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat er in de vroege ochtend van 21 januari 2023 brand is gesticht bij de toegangspoort van [naam 6] in Haelen, gemeente Leudal. De rechtbank is daarbij tevens van oordeel dat er gemeen gevaar te duchten was voor het kasteel en de goederen in het kasteel, op basis van de conclusies van het forensisch onderzoek.
Gelet op het dossier is de rechtbank van oordeel dat het [verdachte] is geweest die met de Opel Vectra van de vader van [medeverdachte 2] naar het kasteel is gereden om de brand te stichten en dat hij de kentekenplaat van de Opel Vectra heeft verwisseld. [medeverdachte 2] heeft in de dagen voorafgaand aan de brandstichting en ook daarna met [medeverdachte 3] contact gehad over de uitvoering. [medeverdachte 2] bepaalde dat ze beter op ‘die lange’ konden wachten en hij regelde naar alle waarschijnlijkheid de Opel Vectra waarmee [verdachte] naar het kasteel is gereden. De Opel Vectra stond immers niet lang voor de brandstichting nog op naam van zijn vader. Voorts kreeg hij van [medeverdachte 3] te horen dat de uitvoering van de brandstichting was gebeurd. Bij dit feit wordt de hiërarchische positie van [medeverdachte 2] expliciet bevestigd door [medeverdachte 3] , die hem in het onderling contact als ‘de baas’ aanmerkt. De regierol van [medeverdachte 2] blijkt bovendien uit de communicatielijn direct na het delict: hij onderhield eerst telefonisch contact met de vermoedelijke opdrachtgever [naam 4] en trad onmiddellijk daarna in contact met de uitvoerder [verdachte] .
Ten aanzien van [medeverdachte 3] overweegt de rechtbank dat, hoewel hij ontkent een voorverkenning te hebben verricht en zijn telefoon niet ter plaatse een zendmast heeft aangestraald, de feiten en omstandigheden tot een andere conclusie leiden. [medeverdachte 3] onderhield immers contact met [medeverdachte 2] over de planning van die avond (hoe laat ze zullen gaan) en verzond vrijwel direct na de brandstichting het bericht ‘100%’. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] kennelijk op de hoogte was van de (geslaagde) uitvoering van het delict, hetgeen duidt op zijn aanwezigheid in de nabijheid van de brandstichting, dan wel direct contact met de uitvoerder [verdachte] . Nu er van contact met [verdachte] op basis van de analyse van de telefoon van [medeverdachte 3] niet is bleken, moet sprake zijn geweest van het eerste: hij was in de buurt. De betrokkenheid van [medeverdachte 3] wordt voorts gestaafd door zijn berichten aan [naam 24] , waarin hij aangaf pas die ochtend thuis te zijn gekomen.
29 maart 2023
Op 29 maart 2023 is brandgesticht aan de Seat Inca die geparkeerd stond op de oprit van [adres 2] te Neer. De rechtbank heeft vastgesteld in de vonnissen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dat zij intensief met elkaar een plan opstelden over de brandstichting. [medeverdachte 2] had [naam 3] als uitvoerder ingeschakeld. Het contact met hem verliep via [naam 2] . [naam 3] heeft bekend de brandstichting te hebben gepleegd. [medeverdachte 3] heeft een voorverkenning uitgevoerd. Verder hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] elkaar gesproken over het bedrag dat betaald zou worden aan [naam 3] .
Modus operandi en rolverdeling
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de drie brandstichtingen en de poging daartoe een duidelijke, samenhangende
modus operandivertonen. Alle incidenten waren gericht tegen de familie [benadeelde 1] / [benadeelde 3] uit de gemeente Leudal en volgden een vast patroon: na de voorverkenningen reden de verdachten vanuit Noord-Brabant naar Neer of Haelen om met brandversnellende middelen brand te stichten aan auto’s of toegangspoort, om vervolgens direct terug te keren naar Noord-Brabant. De brandstichtingen zijn in wisselende samenstellingen gepleegd, waarbij toch sprake was van een duidelijke kernbezetting, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Om de rol van de verschillende verdachten nader te duiden, bespreekt de rechtbank hieronder de onderlinge rolverdeling.
[medeverdachte 2]
was de organisator/regisseur van de brandstichtingen en had ook contact met (de mogelijke opdrachtgever) [naam 4] , zijnde een oom van [medeverdachte 2] . Hij had de volledige regie in handen: hij regelde een voorverkenner en de uitvoerders, bepaalde de planning en de wijze van uitvoering, was op momenten aanwezig op de plaats delict, gaf aanwijzingen en faciliteerde een auto om naar de plaats delict te komen. Deze rol wordt verder bevestigd rondom 21 januari 2023 toen hij instructies gaf over de uitvoering en waarbij medeverdachte [medeverdachte 3] hem expliciet als ‘de baas’ aanmerkte. [medeverdachte 2] fungeerde als de cruciale schakel tussen opdracht en uitvoering; hij heeft contact gehad met [naam 4] na de brandstichting aan de toegangspoort van het kasteel en sprak over de beloning voor de uitvoerder. Hiermee staat vast dat [medeverdachte 2] niet slechts betrokken was, maar de leidende en organiserende kracht was.
Om de rol van [medeverdachte 2] vast te stellen heeft de rechtbank de bewijsmiddelen van de verschillende brandstichtingen over en weer als steunbewijs gebruikt. Uit de telefoongesprekken en audiobestanden van de brandstichtingen van 21 januari en 29 maart 2023 blijkt uitdrukkelijk dat [medeverdachte 2] een leidende rol had achter de brandstichtingen. Gelet op deze omstandigheden en het telefonische contact dat [medeverdachte 2] onderhield met [verdachte] en de onbekende gebruiker (NN 8625) bij de brandstichtingen van 29 december 2022 en 15 januari 2023 stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] toen ook al dezelfde rol had. De rechtbank is van mening dat zij deze bewijsmiddelen over en weer kan gebruiken omdat de feiten en omstandigheden op essentiële punten (de modus operandi en het contact van [medeverdachte 2] met de andere betrokkenen) overeenkomen.
[medeverdachte 3]
was in eerste instantie de voorverkenner. Hij voerde een omgevingscheck uit en gaf aan [medeverdachte 2] door of er voertuigen voor de woning van aangeefster stonden. Hij wist naar eigen zeggen pas na de brandstichting op 29 december 2022 wat de reden was van deze voorverkenningen. Anders dan [medeverdachte 3] heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 3] met het verstrijken van de tijd een grotere rol krijgt. Er vindt rond 21 januari 2023 steeds meer overleg plaats tussen hem en [medeverdachte 2] over de planning en welke uitvoerder er ingezet gaat worden. [medeverdachte 3] deed nog steeds de voorverkenning, maar gaf ook door dat de uitvoerder, [verdachte] , ter plaatse was. Vervolgens gaf hij ook aan [medeverdachte 2] de opdracht om contact te zoeken met [verdachte] om te vragen of alles goed is gegaan. Op 29 maart 2023 is de rol van [medeverdachte 3] nog groter en kan hij als mede-organisator worden aangemerkt. Hij voerde toen intensief overleg met [medeverdachte 2] over de uitvoering en de planning. Ook besliste hij bij die brandstichting mee over de beloning voor uitvoerder [naam 3] .
[verdachte]
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de uitvoerder is geweest van de brandstichtingen op 29 december 2022 en 21 januari 2023. Hij is telkens naar de plaats delict gereden, reed weg nadat er brand was ontstaan en had contact met [medeverdachte 2] .
Deelnemingsvorm
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat de rol van verdachte is geweest bij de brandstichtingen.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte af dat hij de uitvoerder van de brandstichtingen op 29 december 2022 (feit 1) en 21 januari 2023 was (feit 2). Hij onderhield rondom en ten tijde van de brandstichtingen contact met [medeverdachte 2] hierover.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] (feit 1 en feit 2) en [medeverdachte 3] (feit 2) die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen onder feit 1 en feit 2 bewezen.