ECLI:NL:RBLIM:2026:1190
Rechtbank Limburg
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na beëindiging zaak
Verzoeker diende op 19 januari 2026 een verzoek tot wraking in tegen mr. M. van der Salm, rechter in de rechtbank Limburg, in een zaak over ondertoezichtstelling van zijn dochter. De wrakingskamer stelde vast dat de rechter op 14 januari 2026 mondeling uitspraak had gedaan, waarmee de zaak was beëindigd.
Volgens artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is wraking niet meer mogelijk nadat een zaak is geëindigd. De wrakingskamer oordeelde daarom dat het verzoek niet-ontvankelijk was. Het argument van verzoeker dat de grondslag voor het verzoek pas na de zitting bekend werd, maakte dit niet anders.
De wrakingskamer besloot zonder zitting en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. De beslissing werd op 29 januari 2026 openbaar uitgesproken door mr. M.M. Beije, mr. R.H.J. Otto en mr. H.M.J. Quaedvlieg.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het na het einde van de zaak werd ingediend.