Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:1190

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/03/348785 / HA RK 26-7
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 4 lid 2 Wrakingsprotocol rechtbank Limburg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na beëindiging zaak

Verzoeker diende op 19 januari 2026 een verzoek tot wraking in tegen mr. M. van der Salm, rechter in de rechtbank Limburg, in een zaak over ondertoezichtstelling van zijn dochter. De wrakingskamer stelde vast dat de rechter op 14 januari 2026 mondeling uitspraak had gedaan, waarmee de zaak was beëindigd.

Volgens artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is wraking niet meer mogelijk nadat een zaak is geëindigd. De wrakingskamer oordeelde daarom dat het verzoek niet-ontvankelijk was. Het argument van verzoeker dat de grondslag voor het verzoek pas na de zitting bekend werd, maakte dit niet anders.

De wrakingskamer besloot zonder zitting en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. De beslissing werd op 29 januari 2026 openbaar uitgesproken door mr. M.M. Beije, mr. R.H.J. Otto en mr. H.M.J. Quaedvlieg.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het na het einde van de zaak werd ingediend.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/348785 / HA RK 26-7
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. M. van der Salm, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

Op 19 januari 2026 is ter griffie van de wrakingskamer een bericht ontvangen van verzoeker inhoudende een verzoek tot wraking in de zaak met nummer C/03/345897/ JE RK 25-1678 over een ondertoezichtstelling van verzoekers dochter.
De rechter heeft de wrakingskamer op 19 januari 2026 bericht dat er op 14 januari 2026 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en dat er aansluitend mondeling uitspraak is gedaan.

2.De beoordeling

Artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer stelt vast dat de rechter op de zitting van 14 januari 2026 mondeling uitspraak in de zaak heeft gedaan en dat het verzoek tot wraking op 19 januari 2026 is ingediend. Wraking is echter niet meer mogelijk nadat een zaak is geëindigd. De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek om die reden niet ontvankelijk is. Dat verzoeker stelt dat zijn grondslag voor het verzoek pas na de zitting van 14 januari 2026 bekend is geworden, doet hier niets aan af.
Mede gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 2, aanhef en onder d, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg zal de wrakingskamer zonder behandeling ter zitting beslissen.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.M. Beije, mr. R.H.J. Otto en mr. H.M.J. Quaedvlieg, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.