ECLI:NL:RBLIM:2026:1195

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
03.072432.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot taakstraf wegens bedreiging, vernieling en dierenmishandeling

Op 14 december 2023 bedreigde verdachte zijn buurman met zware mishandeling door met een hamer dreigend op hem af te lopen en slaande bewegingen te maken. Tevens vernielde hij de ruiten van de woning van de buurman en mishandelde hij diens hond door met een hamer op de neus te slaan.

De rechtbank achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van getuigenverklaringen, camerabeelden en een bekennende verklaring van verdachte. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, waaronder het veroorzaken van angst en onveiligheid in de buurt, vernieling van eigendom en dierenmishandeling. Tegelijkertijd werd meegewogen dat verdachte sinds 2017 geen strafbare feiten meer had gepleegd en een positieve reclasseringsrapportage had.

De rechtbank legde een taakstraf van 160 uur op, met een subsidiaire hechtenis van 80 dagen waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd afgewezen omdat de gevorderde kosten niet rechtstreeks voortvloeiden uit het handelen van verdachte.

Tot slot verklaarde de rechtbank de hamer waarmee de feiten werden gepleegd verbeurd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 uur taakstraf, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.072432.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboortegegevens] 1976,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat kantoorhoudende te Brunssum.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De benadeelde partij [benadeelde] is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1:[benadeelde] heeft bedreigd met zware mishandeling;
feit 2:de ruiten van de woning van [benadeelde] heeft vernield;
feit 3:een hond heeft mishandeld.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ook op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezenverklaard.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Het onder 1 ten laste gelegde
[benadeelde] heeft aangifte [2] gedaan van bedreiging. Hij heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:
Op 14 december 2023, omstreeks 21:00 uur, hoorde ik buiten bij mijn voordeur van mijn woning aan de [adres 2] te Kerkrade harde knallen. Ik maakte de voordeur open en zag [verdachte] , mijn achterbuurman van huisnummer [nummer] .
Ik riep naar [verdachte] dat hij normaal moest doen. Ik bleef, terwijl ik dit riep, wel in de deuropening van mijn woning staan. Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam gelopen met zijn hamer in zijn hand. Ik zag dat [verdachte] in een dreigende houding op mij kwam afgelopen met zijn hamer hoog in de lucht naast zijn hoofd. Het zag eruit alsof hij mij wilde slaan. Ik dacht echt dat [verdachte] mij en mijn hond hartstikke dood zou slaan.
Het dossier bevat een beschrijving van de camerabeelden van de [adres 2] te Kerkrade, inhoudende: [3]
Fragment 6:
Ik zag dat het fragment startte op 14 december 2023 om 21.00 uur.
Ik zag dat [benadeelde] in zijn deuropening/op de galerij voor zijn woning stond.
Ik zag dat [benadeelde] liep in de richting van de hoofdingang. Ik zag dat [benadeelde] terug in beeld verscheen. Ik zag dat hij achteruitliep. Ik zag dat [benadeelde] gevolgd werd door [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met zijn gezicht in de richting van [adres 2] liep. Ik zag dat [verdachte] een oranjekleurige hamer in zijn rechterhand hield. Ik zag dat hij meerdere slaande bewegingen maakte in de richting van [benadeelde] . Ik zag dat [verdachte] richting [benadeelde] liep en ik zag dat [benadeelde] achteruitliep.
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het onder 2 en 3 ten laste gelegde
De rechtbank acht ook het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd voor wat betreft die feiten en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank ex artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
  • de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2026;
  • de aangifte van [benadeelde] d.d. 19 december 2023, pagina 84-86;
  • het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 december 2023, pagina 173-177.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1:
op 14 december 2023 te Kerkrade [benadeelde] heeft bedreigd met zware mishandeling,
door met een hamer in de richting van die [benadeelde] te lopen en met die hamer een slaande beweging te maken richting die [benadeelde] ;
feit 2:
op 14 december 2023 te Kerkrade opzettelijk en wederrechtelijk de ruiten van de woning aan de [adres 2] , die aan [benadeelde] toebehoorden, heeft vernield;
feit 3:
op 14 december 2023 te Kerkrade zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiken van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond, pijn heeft veroorzaakt en het welzijn van die hond heeft benadeeld door met een hamer op de neus van die hond te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
bedreiging met zware mishandeling;
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;
feit 3:
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, Wet dieren.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan 100 uur, subsidiair 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging verzocht te volstaan met een taakstraf met een groot voorwaardelijk deel en eventueel een langere proeftijd dan gebruikelijk, gelet op de positieve inhoud van de reclasseringsrapportage en het feit dat verdachte door zijn problematiek mogelijk niet in staat is een taakstraf naar behoren uit te voeren.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich tijdens een confrontatie met zijn buurman schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn buurman alsmede mishandeling van diens hond en vernieling van de ruiten van diens woning. De confrontatie is ontstaan, omdat aangever op een avond besloot om op straat carbid te gaan afschieten, hetgeen op zichzelf al niet is toegestaan. Op het moment dat hij daarop werd aangesproken door zijn buurman, vond hij dit onterecht en is de situatie geëscaleerd, waarbij de bewezenverklaarde handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door zijn handelen het slachtoffer op een onheuse en agressieve wijze heeft bejegend en voor hem een angstige situatie heeft geschapen. Bovendien roepen dergelijke feiten niet alleen bij het slachtoffer maar ook bij de buurt-bewoners gevoelens van angst en onveiligheid op, in het bijzonder nu de feiten op straat hebben plaatsgevonden.
Tevens heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendom van een ander en zich schuldig gemaakt aan dierenmishandeling. Dit zijn kwalijke feiten. Mensen hebben ten opzichte van dieren een speciale verantwoordelijkheid. Dit houdt in dat in de omgang met dieren zorg moet worden gedragen voor het welzijn en de gezondheid van het dier, en dat al het mogelijke wordt gedaan om te voorkomen dat leed aan hen wordt toegebracht. Het slaan met een hamer op de neus van de hond, die in elk geval op dát moment geen bedreiging voor de verdachte vormde, is bijzonder kwalijk. De verdachte - die zelf ook honden heeft - had beter moeten weten.
Aan de andere kant weegt de rechtbank in matigende zin mee dat de situatie even later verder is geëscaleerd en verdachte door aangever in zijn hoofd is gestoken met een mes, waarbij hij een flinke wond aan de zijkant van zijn hoofd heeft opgelopen.
De persoon van verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 5 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte, hoewel hij in het verleden vele malen met politie en justitie in contact is gekomen, sinds 2017 niet meer in beeld is gekomen, met uitzondering van deze zaak.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies, opgesteld op
9 december 2025. De reclassering rapporteert dat verdachte na het doorlopen van een
ISD-maatregel middels reclasseringsondersteuning zijn leven weer op de rit heeft gekregen. Hij heeft zelfstandige huisvesting, er is sprake van woonbegeleiding en bewindvoering. Tevens is er een WSNP-traject aangevraagd om zijn financiën verder op orde te brengen. De reclassering schat het recidiverisico in als laag-gemiddeld, aangezien de feiten inmiddels twee jaar geleden hebben plaatsgevonden en verdachte sindsdien niet opnieuw in beeld is gekomen bij justitie. Nu verdachte in het verleden verschillende trajecten heeft doorlopen, er sprake is van vrijwillige praktische ondersteunen en hij zelf het nut van verdere begeleiding of behandeling niet inziet, acht de reclassering de inzet van interventies en toezicht niet van meerwaarde.
Oplegging van straf
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde strafsoort en -modaliteit, te weten een deels voorwaardelijke taakstraf, passend is en een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal echter, gelet op voornoemde omstandigheden, een wat lagere straf dan gevorderd opleggen en volstaan met de oplegging van een taakstraf voor de duur van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert materiële schadevergoeding tot een bedrag van 117 euro bestaande uit de post ‘opvang hond’.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij, nu het gevorderde bedrag geen rechtstreekse schade ten gevolge van het handelen van verdachte betreft.
Het oordeel van de rechtbank
Alleen schade die rechtstreeks is geleden door de bewezenverklaarde feiten, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekse schade, nu de opvang van de hond van benadeelde het gevolg is van de aanhouding van benadeelde naar aanleiding van het steekincident waarvan verdachte slachtoffer is geworden. Dit betreft dus geen schade veroorzaakt door het handelen van verdachte, maar juist kosten die zijn ontstaan door het eigen handelen van de benadeelde.
De rechtbank zal daarom de vordering afwijzen.

8.Het beslag

De rechtbank zal de in beslag genomen een hamer (G1663332) verbeurdverklaren, want met behulp van dit voorwerp zijn de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten begaan.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.1, 8.11 en 8.12 Wet dieren.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van
- bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
80 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door
40 dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Benadeelde partij
  • wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
  • veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:
- een hamer (G1663332).
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.M. Hendriks, voorzitter, mr. C.J.M. Brands en
mr. S.L.M. van Venrooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 januari 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1:
hij op of omstreeks 14 december 2023 te Kerkrade [benadeelde] heeft bedreigd met zware mishandeling, door met een hamer in de richting van die [benadeelde] te lopen en/of met die hamer een slaande beweging te maken richting die [benadeelde] ;
feit 2:
hij op of omstreeks 14 december 2023 te Kerkrade opzettelijk en wederrechtelijk de ruiten van de woning aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
feit 3:
hij op of omstreeks 14 december 2023 te Kerkrade, zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiken van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van die hond heeft benadeeld, door
met een hamer op de neus, althans op de kop, van die hond te slaan;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer R023129/ ARAGORN, gesloten d.d. 7 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 276.
2.Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] d.d. 19 december 2023, pagina 84-86.
3.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 december 2023, pagina 173-177.