ECLI:NL:RBLIM:2026:128

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
11805036/CV/25-3224
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Contractspartij bij verhuizing: privépersonen of BV?

In deze civiele bodemzaak staat centraal wie als contractspartij moet worden aangemerkt bij een verhuizingsovereenkomst. Eiseres voerde aan dat de overeenkomst met de privépersonen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was gesloten, terwijl gedaagden stelden dat de BV de contractspartij was. De offerte was gericht aan [gedaagde 2], die ook de factuur op naam van de BV wilde laten zetten.

De kantonrechter overwoog dat het vertrouwen van eiseres gerechtvaardigd was dat zij met [gedaagde 2] in privé een overeenkomst sloot, mede omdat de communicatie via een privé e-mailadres verliep en er geen aanwijzingen waren dat het een zakelijke opdracht betrof. De BV was inmiddels geliquideerd en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

De vordering tot betaling van de factuur werd toegewezen aan eiseres tegen [gedaagde 2], maar afgewezen tegen [gedaagde 1], omdat onvoldoende was gesteld dat deze contractspartij was. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens het ontbreken van een correcte aanmaning volgens artikel 6:96 lid 6 BW Pro.

Ten slotte werd [gedaagde 2] veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en rente, alsmede proceskosten, terwijl eiseres de proceskosten van [gedaagde 1] moest vergoeden. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot betaling wordt toegewezen tegen [gedaagde 2], afgewezen tegen [gedaagde 1], incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11805036 \ CV EXPL 25-3224
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. I.P. Sigmond,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 3] ,
gemachtigde: mr. B.A.L.H. Robijns,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft op 1 oktober 2024 een verhuizing uitgevoerd van een privéwoning in [plaats 4] naar een privéwoning aan de [straat ] in [plaats 5] .
Hieraan voorafgaand heeft [eiseres] op 16 september 2024 een offerte uitgebracht. Deze offerte was aan [gedaagde 2] gericht.
2.2.
[gedaagde 2] schrijft per e-mail op 17 september 2024 het volgende:
“(..)
Wij willen jullie graag hebben voor onze verhuizing.
In de offerte staan 2 namen. De mijne en nog een andere. Ik denk dat dit even aangepast moet worden
Mijn vraag was of het op rekening kan van het werk.
Factuur mag op naam en adres van:
[B.V.]
[straat ] [huisnummer]
[postcode] [plaats 5]
“(..)”
2.3.
De factuur van € 1.605,00 is gericht aan [B.V.] maar is, ondanks een herhaalde aanmaning, niet betaald.
2.4.
De BV is inmiddels geliquideerd en op 5 juni 2025 uitgeschreven bij de kamer van koophandel.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 1.605,00 aan hoofdsom en € 240,75 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Wie is contractspartij?
4.1.
Partijen hebben in de eerste plaats discussie over de vraag wie als contractspartij moet worden aangemerkt. [eiseres] stelt dat het om een privéverhuizing van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gaat en dat deze als privépersonen de overeenkomst zijn aangegaan. Op verzoek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de factuur op naam van de BV gezet. Dit wordt wel vaker gedaan om zo aftrekbare kosten te creëren.
4.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat de opdracht door de BV is verstrekt. De factuur is ook gericht aan de BV. [eiseres] motiveert niet waarom [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in privé worden aangesproken. [gedaagde 2] is in het geheel niet betrokken bij de BV; zij heeft enkel namens de BV gecommuniceerd. Er is een woning verhuisd waar ook de zaak gevestigd was. Er is geen reden om [gedaagde 1] persoonlijk aansprakelijk te stellen. [eiseres] heeft ook niet onderbouwd of gemotiveerd dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid, aldus nog steeds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
4.3.
Het antwoord op de vraag of iemand tegenover een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam — dat wil zeggen als wederpartij van die ander — is opgetreden, hangt af van wat hij en die ander daaromtrent tegenover elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. [1] De offerte is gericht aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] accepteert die offerte en zij stelt de vraag of de factuur op naam van de BV kan worden gezet. Het toesturen van de offerte en de communicatie daarna verliep via een Hotmail account van [gedaagde 2] . Voor [eiseres] was er geen aanleiding om te denken dat zij een overeenkomst zou sluiten met de BV. Zij communiceerde immers met [gedaagde 2] , via een e-mailadres dat op geen enkele wijze aan een onderneming te koppelen was.
4.4.
Dat het om een zakelijke opdracht zou gaan, zoals [gedaagde 2] en [gedaagde 1] stellen, staat ook niet vast. Er is namelijk van de ene naar een andere woning verhuisd. Uit het uittreksel van de kamer van koophandel blijkt dat de BV was ingeschreven op de [straat ] in [plaats 5] , maar of deze onderneming ook op het adres in [plaats 4] ingeschreven heeft gestaan is niet bekend. Bovendien is niet gesteld en ook niet gebleken dat [eiseres] ermee bekend was dat sprake was van een zakelijke opdracht.
4.5.
De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiseres] er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat zij in ieder geval met [gedaagde 2] in privé een overeenkomst heeft gesloten. Dat gevraagd is om de factuur op naam van de BV te zetten doet hieraan niet af. Een derde persoon (in dit geval de BV) kan namelijk bevrijdend betalend voor een ander, maar dat staat los van de vraag wie contractspartij is.
4.6.
[eiseres] spreekt niet alleen [gedaagde 2] aan, maar ook [gedaagde 1] . Uit het voorgaande volgt dat er geen uitdrukkelijk aanknopingspunt is op grond waarvan [eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij met [gedaagde 1] contracteerde. [gedaagde 1] heeft weliswaar later, in een e-mailbericht van 15 juli 2025 [2] aan [eiseres] gemeld dat hij de enige opdrachtgever was, maar dat wordt op geen enkele wijze gesteund door het verloop rondom het sluiten van de overeenkomst. In deze procedure betwist [gedaagde 1] dat hij contractspartij was. Van een erkenning in rechte is daarom geen sprake. De stelplicht ten aanzien van de vraag met wie gecontracteerd is en wat de gerechtvaardigde verwachtingen van partijen daarover waren, rust op [eiseres] . Ten aanzien van [gedaagde 1] heeft [eiseres] niet voldaan aan die stelplicht.
4.7.
De conclusie is daarom dat [gedaagde 2] wel, maar [gedaagde 1] niet terecht als privépersoon is gedagvaard. De vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 1] worden daarom afgewezen.
De vordering zelf
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde 2] geen verweer voert tegen de hoogte van het gevorderde bedrag. Dit gefactureerde bedrag is bovendien hetzelfde bedrag als de offerte op basis waarvan de opdracht is verstrekt. De gevorderde hoofdsom wordt daarom toegewezen. Dit geldt ook voor de gevorderde rente. Hiertegen is namelijk niet op aparte gronden verweer gevoerd.
4.9.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde 2] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde 2] geen aanmaning verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In de aanmaning is geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
4.10.
[gedaagde 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
192,50
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten x € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
822,71
4.11.
[eiseres] is in het ongelijk in haar vordering op [gedaagde 1] en moet daarom de proceskosten van [gedaagde 1] betalen. Deze kosten worden begroot op € 204,00 aan salaris (2 punten x 0,5 x € 204,00) en de nakosten op € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing). [gedaagde 1] heeft niet gevraagd deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.12.
Aangezien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met één gemachtigde procederen en gezamenlijke standpunten innemen, is het gemachtigdensalaris aan hun zijde gehalveerd.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering op [gedaagde 1] af,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.605,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 822,71, te betalen aan [eiseres] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 306,00, te betalen aan [gedaagde 1] binnen veertien na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
5.5.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 5.1 en 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 maart 1977,
2.Productie bij conclusie van repliek