Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
Rechtbank Limburg
In deze civiele bodemzaak staat centraal wie als contractspartij moet worden aangemerkt bij een verhuizingsovereenkomst. Eiseres voerde aan dat de overeenkomst met de privépersonen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was gesloten, terwijl gedaagden stelden dat de BV de contractspartij was. De offerte was gericht aan [gedaagde 2], die ook de factuur op naam van de BV wilde laten zetten.
De kantonrechter overwoog dat het vertrouwen van eiseres gerechtvaardigd was dat zij met [gedaagde 2] in privé een overeenkomst sloot, mede omdat de communicatie via een privé e-mailadres verliep en er geen aanwijzingen waren dat het een zakelijke opdracht betrof. De BV was inmiddels geliquideerd en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
De vordering tot betaling van de factuur werd toegewezen aan eiseres tegen [gedaagde 2], maar afgewezen tegen [gedaagde 1], omdat onvoldoende was gesteld dat deze contractspartij was. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens het ontbreken van een correcte aanmaning volgens artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
Ten slotte werd [gedaagde 2] veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en rente, alsmede proceskosten, terwijl eiseres de proceskosten van [gedaagde 1] moest vergoeden. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vordering tot betaling wordt toegewezen tegen [gedaagde 2], afgewezen tegen [gedaagde 1], incassokosten worden afgewezen.