Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:1381

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/03/342129 / HA ZA 25-237
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • drs. Hurkens
  • Etman
  • Van den Pauwert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 165 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering inzage processtukken wegens gebrek aan belang

In deze civiele bodemprocedure vordert [aannemer] inzage in processtukken uit twee andere procedures tussen CdB en de Gemeente Valkenburg aan de Geul. [aannemer] stelt belang te hebben bij deze stukken om de standpunten van CdB te kunnen verifiëren en te gebruiken in haar eigen vordering over een aannemingsovereenkomst.

CdB c.s. verzet zich tegen deze vordering met het argument dat het verzoek onvoldoende bepaald is, dat het inzagerecht niet strekt tot het verkrijgen van informatie over derden en dat [aannemer] onvoldoende belang heeft omdat zij geen partij is in de andere procedures. De rechtbank overweegt dat het inzagerecht volgens artikel 194 lid 1 Rv Pro alleen geldt voor gegevens die betrekking hebben op een rechtsverhouding waarbij de verzoeker partij is.

De rechtbank oordeelt dat de gevorderde stukken betrekking hebben op procedures tussen CdB en de Gemeente, waarbij [aannemer] geen partij is, en dat het verzoek om inzage in volledige dossiers te algemeen en onvoldoende specifiek is. Daarom wordt de incidentele vordering afgewezen. [aannemer] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot inzage in processtukken af wegens gebrek aan belang en onvoldoende specificiteit.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/342129 / HA ZA 25-237
Vonnis in incident van 11 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[aannemer] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [aannemer] ,
advocaat: mr. H.R.M. Vangeel,
tegen;

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidCDB VALKENBURG B.V.,

gevestigd te Hilversum,
hierna te noemen: CdB ,

2.2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidWAAN B.V.,

gevestigd te Maastricht,

3.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidWAAW B.V.,

gevestigd te Maastricht,

4.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidCAPITAL ESTATES B.V.,

gevestigd te Baarn,

5.[persoon 1] ,

wonend te [plaats 2] ,

6.[persoon 2] ,

wonend te [plaats 3] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna gezamenlijk te noemen: CdB c.s.,
advocaat: mr. R.W. Janssen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-de dagvaarding met producties 1 t/m 65;
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties 1 t/m 5;
  • de incidentele vordering van [aannemer] met producties 66 t/m 68;
  • de conclusie van antwoord in het incident van CdB c.s.;
  • de akte van [aannemer] van 14 januari 2026 met producties 69 t/m 81.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vaststaande feiten

In het incident

2.1.
Bij deze rechtbank is een kortgedingprocedure (zaaknummer C/03/342248 / KG ZA 25-202) aanhangig geweest tussen CdB en de gemeente Valkenburg aan de Geul (verder te noemen: de Gemeente). Onderwerp van die procedure was of de Gemeente terecht een met CdB gesloten koopovereenkomst ter zake een drietal percelen, waarop CdB een hotel zou laten bouwen, buitengerechtelijk heeft ontbonden. CdB vorderde dat de Gemeente werd gelast de buitengerechtelijke ontbinding in te trekken.
2.2.
Thans is bij deze rechtbank een bodemprocedure (zaaknummer C/03/344262 HA ZA 25-343) aanhangig tussen de Gemeente en CdB over hetzelfde onderwerp. De Gemeente vordert een verklaring voor recht dat die overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en vordert teruglevering van de percelen.

3.Het geschil

In het incident

3.1.
[aannemer] vordert dat CdB c.s. bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld om binnen één week na het wijzen van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn aan [aannemer] te verstrekken:
- de processtukken in de kortgedingprocedure voor de rechtbank Limburg locatie
Maastricht met zaaknummer C/03/342248 KG ZA 25-202 waaronder begrepen:
o de dagvaarding in kortgeding;
o het verweerschrift (indien voorhanden);
o de producties van de Gemeente;
o de producties van CdB ;
o de spreekaantekeningen van de Gemeente;
o de spreekaantekeningen van CdB ;
o het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (indien voorhanden);
- de procestukken in de bodemprocedure tussen CdB en de Gemeente (rechtbank: zaaknummer C/03/344262 HA ZA 25-343) voor de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, waaronder begrepen:
o de dagvaarding;
o de conclusie van antwoord;
o de producties van de Gemeente;
o de producties van CdB ;
o de spreekaantekeningen van de Gemeente;
o de spreekaantekeningen van CdB ;
o het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (indien voorhanden);
zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat verweerder in gebreke mocht blijven bovenstaande termijnen na te komen, met een
maximum van € 100.000,00;
3.2.
CdB c.s. voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In het incident
Standpunt [aannemer]
4.1.
legt aan haar vordering in het incident het volgende ten grondslag.
4.2.
In de kortgedingprocedure tussen de CdB en de Gemeente [1] heeft CdB standpunten ingenomen die volgens [aannemer] haaks staan op de standpunten die CdB nu inneemt in de zaak tussen partijen. Zo blijkt uit het vonnis in kortgeding, dat volgens CdB een “(bouw)team in de startblokken” stond om een aanvang te maken met de bouw van het hotel. [aannemer] wil daarom inzage in het kortgedingdossier.
4.3.
[aannemer] stelt verder er belang bij te hebben CdB te kunnen confronteren met de uitlatingen van CdB tegenover de Gemeente, die zouden kunnen blijken uit het dossier van de hoofdzaak tussen de Gemeente en CdB . [2] Die verklaringen hebben immers bijgedragen aan de verwachtingen van [aannemer] over het tot stand komen van een aannemingsovereenkomst tussen haar en CdB . In het bijzonder is van belang om het standpunt te kennen dat CdB heeft ingenomen ten aanzien van de plaatsing van bouwhekken. Ook de verklaringen die CdB tegenover de Gemeente heeft gedaan ter toelichting van het bouwproject tijdens (raads)vergaderingen waarbij ook [aannemer] aanwezig was, zijn van belang. [aannemer] heeft namelijk op de daar door CdB afgelegde verklaringen vertrouwd. Omdat ook toezeggingen zijn gedaan door [persoon 1] en [persoon 2] , zijn de stukken waarvan verstrekking wordt gevorderd ook van belang in verband met de tegen hen ingestelde vorderingen op basis van bestuurdersaansprakelijkheid.
Standpunt CdB c.s.
4.4.
CdB c.s. voeren diverse argumenten aan waarom de vordering in het incident van [aannemer] moet worden afgewezen.
4.5.
Allereerst is deze vordering volgens CdB c.s. onvoldoende bepaald. Een vordering tot het verstrekken van informatie moet nauwkeurig worden afgebakend. Een verzoek om inzage in een volledig dossier is dat niet.
4.6.
Ten tweede verzetten gewichtige redenen zich tegen toewijzing van de vordering. Als [aannemer] inzage zou krijgen in de bedoelde procesdossiers, dan verkrijgt zij daarmee volledig inzicht in informatie, standpunten en gegevens die niet alleen afkomstig zijn van CdB , maar ook van de Gemeente. Het gaat om informatie, standpunten en gegevens die zien op de rechtsverhouding tussen CdB en de Gemeente, en niet op de rechtsverhouding tussen CdB en [aannemer] . [aannemer] krijgt dan vooral inzage in gegevens die haar niet betreffen. Het inzagerecht is daarvoor niet bedoeld en er wordt inbreuk gemaakt op (persoons)gegevens van de Gemeente, die niet betrokken is bij deze procedure.
4.7.
Ten derde voert CdB c.s. aan dat [aannemer] onvoldoende belang heeft bij haar vordering. CdB heeft in de procedures tegen de Gemeente niet het standpunt ingenomen dat een aannemingsovereenkomst of bouwteamovereenkomst met [aannemer] tot stand is gekomen. De uitlating van CdB ten tijde van het kortgeding, dat een bouwteam “in de startblokken staat” zag niet op [aannemer] , maar op een andere aannemer. [aannemer] was ten tijde van dat kortgeding niet meer in beeld als mogelijke aannemer, omdat het traject met haar op 6 februari 2025 was stopgezet.
Het standpunt van [aannemer] in de procedures tegen de Gemeente over de bouwhekken is niet relevant. CdB heeft voor het plaatsen van die hekken een aparte opdracht verstrekt aan [aannemer] , zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat met het verstrekken van die opdracht een aannemings- of bouwteamovereenkomst tot stand is gekomen. De Gemeente wist dat het om niet meer ging dan het plaatsen van hekken en dat het geen daadwerkelijke start van de bouw betrof.
Als [aannemer] wil achterhalen wat CdB tegenover de gemeenteraad heeft verklaard, kan zij de raadsvergaderingen, die openbaar zijn, via het internet terugluisteren. Verder blijkt nergens uit dat in het procesdossier informatie staat over mondelinge toelichtingen van de bestuurders van CdB waarop [aannemer] , naar zij stelt, zou hebben vertrouwd.
Ook voor het door haar gelegde conservatoire beslag op de percelen hoeft [aannemer] niet kennis te nemen van het volledige procesdossier. Kennisneming van het te wijzen vonnis, dat openbaar is, volstaat.
4.8.
De vordering van [aannemer] dient kennelijk om de stellingen van CdB te verifiëren, dan wel te betwisten, doch het inzagerecht waarop [aannemer] een beroep doet, is enkel bedoeld om de partij die een beroep doet op het inzagerecht in staat te stellen om haar eigen stellingen te concretiseren, onderbouwen en bewijzen.
Oordeel rechtbank
4.9.
Uitgangspunt volgens artikel 194 lid 1 Rv Pro is, dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens, mits die partij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt is verplicht daarvan op verzoek inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht in de zin van artikel 165 lid 2 Rv Pro toekomt, dan wel gewichtige redenen zich verzetten het verlenen van inzage, of het verstrekken van een afschrift of uittreksel.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat [aannemer] daar niet voldoende belang bij heeft.
4.11.
Volgens de Memorie van Toelichting bij voormeld artikel gaat het erom dat gegevens waarvan inzage wordt verlangd, betrekking hebben op een rechtsverhouding waarbij de partij die de gegevens opvraagt zelf partij is. [3] In de onderhavige procedure zijn [aannemer] aan de ene zijde en CdB c.s. aan de andere zijde partij. De stukken waarvan [aannemer] afgifte vordert, betreffen procedures tussen CdB en de Gemeente, waarbij [aannemer] geen partij is. Het onderwerp van de bodemprocedure tussen partijen is primair de door [aannemer] gevorderde vergoeding van door haar gemaakte kosten en de vergoeding van misgelopen winst, op basis van de stelling dat tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand zou zijn gekomen, hetgeen CdB betwist. In de kort geding- en bodemprocedure tussen CdB en de Gemeente gaat het om de vraag of de Gemeente terecht de koopovereenkomst ten aanzien van de in 3.1. bedoelde drie percelen heeft ontbonden. De kortgeding- en bodemprocedure tussen CdB en de Gemeente enerzijds en de bodemprocedure tussen [aannemer] en CdB anderzijds zien dus op wezenlijk andere onderwerpen en de relevantie van de gevorderde gegevens moet in het licht van de verschillende procedures worden beoordeeld.
4.12.
Verder is het volgende van belang. [aannemer] vordert afgifte van complete procesdossiers. Met CdB c.s. is de rechtbank van oordeel dat uit de door CdB c.s. aangehaalde passages uit de Memorie van Toelichting volgt dat een verzoek om inzage in een volledig dossier te weinig specifiek is en daarom niet als voldoende bepaald kan worden aangemerkt. [4] Niet duidelijk is bovendien dat de door [aannemer] bedoelde informatie is opgenomen in de stukken waarvan zij afgifte vordert en waar deze informatie precies is te vinden. Toewijzing van de vordering zou er toe leiden dat [aannemer] een grote hoeveelheid informatie krijgt waarop zij geen recht heeft en waarbij zij ook geen belang heeft.
4.13.
[aannemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CdB c.s. worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(1 punt × € 653,00);
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
Totaal
842,00.

5.De beslissing

De rechtbank:
In het incident
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [aannemer] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [aannemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
In de hoofdzaak
5.3.
verstaat dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op
10 maart 2026van
13.30 uur tot 16.30 uur;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens, mr. Etman en
mr. Van den Pauwert, rechters, en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.Zie rov. 2.1
2.Zie rov. 2.2
3.Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3 p. 49.
4.Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3 p. 48.