ECLI:NL:RBLIM:2026:1461

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
03.028638.19, 03.196741.19, 03.040244.20
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling met dood ten gevolge, opzetheling en drugsvast bezit

De rechtbank Limburg heeft op 11 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van mishandeling met de dood ten gevolge, opzetheling van een auto en het bezit van verschillende drugs. De mishandeling vond plaats op 11 oktober 2018 in Heerlen, waarbij het slachtoffer een beveiliger was die door een duw van verdachte ten val kwam en een gebroken heup opliep. Na meerdere operaties ontstond een infectie die leidde tot het overlijden van het slachtoffer op 15 april 2019.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte het slachtoffer bewust heeft geduwd, waardoor het letsel en uiteindelijk de dood zijn veroorzaakt. De verdediging voerde aan dat de dood niet aan verdachte kon worden toegerekend vanwege een infectie na een tweede operatie, maar de rechtbank verwierp dit en stelde dat de causale keten niet was doorbroken. Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor opzetheling van een Audi SQ5 en het bezit van cocaïne, heroïne, hasj en hennep. De verkoop van 0,6 gram cocaïne werd niet bewezen verklaard.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 173 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. De straf werd gematigd vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn positieve gedragsverandering in Duitsland en de overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaar. De rechtbank gaf tevens een tenuitvoerleggingsadvies om de taakstraf en het toezicht over te dragen aan de Duitse reclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf (waarvan 173 voorwaardelijk) en 240 uur taakstraf voor mishandeling met dood ten gevolge, opzetheling en drugsvast bezit; vrijspraak voor verkoop cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03.028638.19, 03.196741.19, 03.040244.20 (ttz.gev.)
Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [adres] op [geboortedag] 1986,
vertrokken, onbekend waarheen.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 januari 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De voorzitter stelt vast dat de nabestaanden van het slachtoffer, mevrouw [nabestaande 1] en haar zoon de heer [nabestaande 2] , ter terechtzitting zijn verschenen. Zij worden bijgestaan door mr. D.M.H. Rademakers. Mr. Rademakers heeft ter zitting het spreekrecht voor mevrouw [nabestaande 1] uitgeoefend.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
In de zaak 03.028638.19
op 11 oktober 2018 in Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld met de dood ten gevolge (primair), dan wel [slachtoffer] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge (subsidiair);
In de zaak 03.196741.19
op 15 augustus 2019 in Roermond een auto heeft geheeld;
In de zaak 03.040244.20
op 27 februari 2019 in Heerlen:
Feit 1:samen met een (of meer) ander(en) 0,6 gram cocaïne heeft verkocht;
Feit 2:opzettelijk in het bezit was van 12,5 gram cocaïne en 4,6 gram heroïne;
Feit 3:in het bezit was van 12,5 gram hasj en 0,5 gram hennep.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) tenlastegelegde feiten. De betrokkenheid van de verdachte bij feit 1 in de zaak 03.040244.20 (de verkoop van cocaïne) blijkt volgens de officier van justitie uit het feit dat de verdachte die dag naast de medeverdachte [medeverdachte] in de auto wordt aangetroffen, de koper van de cocaïne in die auto kwam zitten en deze koper – nadat hij met cocaïne op zak werd aangetroffen door de politie – duidelijk heeft verklaard dat hij het geld voor de drugs aan de verdachte heeft gegeven.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde in de zaak 03.028638.19 (mishandeling met de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel ten gevolge) en feit 1 in de zaak 03.040244.20 (de verkoop van cocaïne).
Ten aanzien van de mishandeling stelt de raadsvrouw zich primair op het standpunt dat er geen mishandeling heeft plaatsgevonden. De verdachte ontkent het slachtoffer te hebben geduwd. Gezien het feit dat door het slachtoffer en de twee getuigen drie verschillende weergaven van het gebeuren zijn geschetst, valt op basis van het dossier niet onomstotelijk vast te stellen dat de verdachte het slachtoffer heeft geduwd. Bovendien voert de raadsvrouw aan dat de verdachte ten gevolge van de sprong van het afdak bebloede handen had en op de kleding van het slachtoffer geen bloed is aangetroffen. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende component van het primair tenlastegelegde. De dood van het slachtoffer kan niet redelijkerwijs als gevolg van de gedraging aan de verdachte worden toegerekend, omdat uit het dossier blijkt dat de infectie die het slachtoffer heeft opgelopen een gevolg is geweest van de tweede ingreep in het ziekenhuis. Het ziekenhuis duidt de bacterie die de infectie heeft veroorzaakt aan als een lichaamseigen bacterie, maar dit lijkt niet te kloppen met de toelichting van de familie [familienaam] bij de (ingetrokken) vordering tot schadevergoeding, die de bacterie aanduidt als een vleesetende bacterie. Omdat een vleesetende bacterie zich doorgaans ontwikkelt in wonden die niet goed gereinigd zijn, stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het slachtoffer de infectie daarom moet hebben opgelopen in het ziekenhuis, en daarmee het causaal verband tussen de mishandeling en de dood is doorbroken, zodat de dood van het slachtoffer niet kan worden toegerekend aan de verdachte.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Mishandeling met de dood ten gevolge (in de zaak 03.028638.19, primair) [1]
Bewijsmiddelen
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [2]
Op 11 oktober 2018 was ik werkzaam als beveiliger binnen de [instelling 1] te Heerlen. Op die dag was een voor mij bekende cliënt [verdachte] voor problemen aan het zorgen daar. Hij was behoorlijk verbaal agressief naar het aldaar dienstdoende personeel, waarop hij naar zijn kamer is gebracht. Korte tijd later kreeg ik een melding omtrent [verdachte] . Ik zag nog net een stel benen het dak op gaan. Ik hoorde een doffe klap komende vanaf het afdak boven de ingang van FPAv1 en zag dat [verdachte] vanaf het afdak naar beneden sprong. Door de doffe klap kreeg ik sterk de indruk dat [verdachte] gewond was geraakt, en daarom wilde ik hem helpen. [verdachte] zei “blijf van me af”. Dat deed ik dan ook en ik probeerde hem te kalmeren. Nog voordat ik er erg in had, zag en voelde ik dat [verdachte] mij met kracht omver duwde waardoor ik ten val kwam. Nadat ik ten val kwam rende [verdachte] weg en liet mij in hulpeloze toestand achter. Ik kon niet meer opstaan. Ik heb aan de val een gebroken heup overgehouden.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [instelling 1] 308010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [3]
Ik werk als arts bij de ggz-instelling [instelling 1] te Heerlen. Op 11 oktober 2018 liep ik op de gang op de eerste verdieping. Terwijl ik daar liep, zag ik dat een mij bekende patiënt, genaamd [verdachte] , over het platte dak rende in de richting van de hoofdingang van [instelling 2] . Ik ben zelf naar beneden gerend in de richting van de hoofdingang. Binnen kwam de mij bekende beveiligingsmedewerker [slachtoffer] mij vanaf de afdeling tegemoet, ook op weg naar de hoofdingang met de bedoeling om [verdachte] te onderscheppen. (..) Ik stond net onder de rand van de luifel. Vervolgens zag ik twee voeten over de rand van de luifel naar beneden hangen. Ik keek omhoog en zag dat [verdachte] van de luifel naar beneden sprong aan de zijde waar onder andere [slachtoffer] stond. Ik zag dat [slachtoffer] met zijwaarts gespreide armen voor [verdachte] ging staan. Ik zag dat [verdachte] met zijn linkerschouder c.q. -arm een beuk gaf tegen de borst van [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] zijwaarts links naar achteren draaide en vervolgens schuin naar achteren viel en met zijn linkerheup, althans zijn linkerzijde, op de bestrating viel.
Het proces-verbaal van bevindingen van 23 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [4]
Ik, verbalisant van de politie Eenheid Limburg, verklaar het volgende. Op 15 april 2019 is [slachtoffer] overleden. Op 30 mei 2019 vond er een gesprek plaats met de echtgenote van [slachtoffer] . Zij vertelde dat haar echtgenoot [slachtoffer] na de tweede ingreep naar huis is gestuurd en vervolgens daags later vanwege helse pijnen weer werd opgenomen en vervolgens is overleden.
Op 12 september 2019 vond er een gesprek plaats met de forensisch arts T. Pelzer. Hieruit kwam het navolgende naar voren:
11 oktober 2018: Ten gevolge van een duw met kracht is [slachtoffer] ten val gekomen en heeft hierbij zijn linker heup gebroken. Een heupfractuur is op zich al levensbedreigend letsel.
12 oktober 2018: Operatie aan de heup waarbij de fractuur werd gezet met drie schroeven. Gedurende zijn revalidatie en verder herstel blijft [slachtoffer] pijnklachten houden. De pijnklachten zijn niet goed te duiden of te verklaren.
12 april 2019: Operatie om de schroeven te verwijderen. Deze blijven normaal gesproken levenslang in het lichaam aanwezig. Dit werd gedaan in verband met aanhoudende pijnklachten. Hierna ontstaat een infectie. De infectie is het gevolg van de tweede ingreep.
13 april 2019: Voorjans heeft ontzettende pijnen aan zijn been en zijn been is ontzettend dik. [slachtoffer] wordt wederom geopereerd en het linker heupgewricht wordt verwijderd. Er werd een infectie aangetroffen: gasgangreen. Infectie blijft toenemen.
15 april 2019: Infectie bleef zich verspreiden en had zich inmiddels door het hele lichaam verspreid. Weer geopereerd. Dezelfde dag is [slachtoffer] overleden ten gevolge van bloedvergiftiging en multi orgaan falen.
Het proces-verbaal Toestemmingsverklaring verwerving medische gegevens, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [5]
Lijkschouw: dhr. [slachtoffer] op 15 april 2019.
Info niet natuurlijk overlijden:(..) De gevolgen van de val zijn goed gedocumenteerd. Uit de stukken blijkt dat de ingrepen lege artis en door deskundigen en bevoegde mensen zijn uitgevoerd.
Bewijsoverweging
Vaststelling van de feiten
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en het slachtoffer zich beiden bevonden in de [instelling 1] in Heerlen op 11 oktober 2018 en dat de verdachte over het dak van de instelling heeft gerend en van een afdak is gesprongen. Na de sprong heeft het slachtoffer, werkzaam als beveiliger bij [instelling 1] , geprobeerd de verdachte tegen te houden waarbij hij ten val is gekomen. Ten gevolge hiervan heeft hij een gebroken heup opgelopen. Aan deze heupfractuur is het slachtoffer diverse keren geopereerd, waaronder op 12 oktober 2018 en op 12 april 2019. Na de operatie op 12 april 2019 heeft het slachtoffer een infectie opgelopen die zich in de drie navolgende dagen heeft verspreid door het hele lichaam, waaraan het slachtoffer op 15 april 2019 is overleden.
Mishandeling
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door hem te duwen. Uit de aangifte van het slachtoffer volgt dat de verdachte hem met kracht heeft geduwd en dat hij daardoor ten val is gekomen. Dat de verdachte het slachtoffer helemaal niet geraakt zou hebben, wordt weersproken door de getuigenverklaring van getuige [instelling 1] 308010, die het hele voorval heeft gezien en duidelijk heeft verklaard dat de verdachte het slachtoffer een beuk gaf en het slachtoffer daarna op de grond viel. De rechtbank ziet dan geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van het slachtoffer en de eerder genoemde getuige. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft geduwd en daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierdoor pijn heeft ervaren en letsel heeft opgelopen.
Het verweer van de verdediging – voor het eerst naar voren gebracht op de terechtzitting van 28 januari 2026 – dat de verdachte op 11 oktober 2019 na de sprong van het afdak bloedende handen had – onder het tonen van een verder niet te verifiëren foto van bebloede handen – en dat daaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte niet heeft geduwd nu er geen bloed op de kleren van het slachtoffer zat, passeert de rechtbank, nu de rechtbank uitgaat van de juistheid van de verklaring van aangever en voornoemde getuige als het gaat om het duwen van het slachtoffer door verdachte, ten gevolge waarvan het slachtoffer gevallen is.
Causaal verband tussen de mishandeling en de dood van [slachtoffer]
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze mishandeling – in strafrechtelijke zin – de dood van slachtoffer [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad. Voor een bewezenverklaring is vereist dat een causaal verband wordt vastgesteld tussen de gedraging van de verdachte en het tenlastegelegde gevolg. De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedraging en het tenlastegelegde gevolg, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dit gevolg redelijkerwijs als gevolg van de gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er naar aanleiding van de gebroken heup op 12 oktober 2018 een noodzakelijke operatie heeft plaatsgevonden om de heupfractuur te zetten met schroeven. Uit de bevindingen van de forensisch arts blijkt dat het slachtoffer gedurende zijn revalidatie en herstel direct na de operatie pijnklachten is blijven houden. Naar aanleiding van deze aanhoudende pijnklachten vond op 12 april 2019 een wederom noodzakelijke operatie plaats om de schroeven uit de heup van het slachtoffer te verwijderen. Als gevolg van deze tweede ingreep ontstond er een infectie. Het slachtoffer is drie dagen later overleden, omdat de infectie zich door het hele lichaam had verspreid.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat in de keten van gebeurtenissen, de gedraging van de verdachte een onmisbare schakel heeft gevormd voor het ingetreden gevolg, namelijk de dood van het slachtoffer, en ook dat het aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Als de verdachte het slachtoffer niet had geduwd, had hij geen gebroken heup opgelopen en was zowel de eerste als de tweede ingreep niet noodzakelijk geweest. Bij een verwonding zoals een heupfractuur hoort medische zorg en als deze zorg moet worden verleend, kunnen er – ook als de verwonding op zichzelf niet dodelijk is – medische complicaties optreden die wel tot de dood van het slachtoffer leiden. Dat deze infectie pas optrad na de tweede medische ingreep, is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die de causale keten zodanig doorbreekt waardoor het overlijden van het slachtoffer niet meer als gevolg van die mishandeling aan de verdachte zou kunnen worden toegerekend. Immers, na de eerste ingreep (die noodzakelijk was gelet op het letsel) heeft het slachtoffer pijn blijven houden op grond waarvan ook een tweede ingreep noodzakelijk was.
Gelet op het voorgaande staat volgens de rechtbank dan ook niet ter discussie welk type bacterie, een lichaamseigen of een vleesetende bacterie, de infectie heeft veroorzaakt. De rechtbank is tevens van oordeel dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt om te twijfelen aan de zorgvuldigheid bij en de juistheid van de ingrepen die zijn verricht door de artsen in het ziekenhuis, nu uit het schouwverslag blijkt dat de ingrepen lege artis en door deskundigen en bevoegde mensen zijn uitgevoerd.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde mishandeling met de dood ten gevolge.
3.3.2
Heling auto (in de zaak 03.196741.19) [6]
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 15 augustus 2019 in Roermond een auto, te weten een Audi SQ5, heeft geheeld. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), omdat de verdachte het feit tijdens het verhoor bij de politie duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.
- het proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2019; [7]
- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 augustus 2019. [8]
3.3.3
Verkoop cocaïne (feit 1 in de zaak 03.040244.20) [9]
Vrijspraakoverweging
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (samen met een (of meer) ander(en)) op 27 februari 2019 opzettelijk 0,6 gram cocaïne heeft verkocht. De betrokkenheid van de verdachte bij de verkoop van deze drugs blijkt enkel uit de verklaring van getuige [naam 2] , dat hij de € 40,00 die hij voor de drugs zou hebben betaald aan de verdachte zou hebben gegeven. Dit geldbedrag is echter niet bij de verdachte aangetroffen. Tevens bevat het dossier geen ander steunbewijs voor de verklaring van [naam 2] . Dat de verdachte en getuige [naam 2] in dezelfde auto hebben gezeten die dag, volstaat niet als wettig en overtuigend bewijs voor de handel in cocaïne door de verdachte. Ook van medeplegen is geen sprake, nu een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] of enige andere bijdrage van voldoende gewicht, niet is gebleken. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van feit 1.
3.3.4
Bezitten cocaïne en heroïne (feit 2 in de zaak 03.040244.20)
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 februari 2019 opzettelijk 12,5 gram cocaïne en 4,6 gram heroïne aanwezig heeft gehad. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin Sv, omdat de verdachte het feit tijdens het verhoor bij de politie duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.
- het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2019; [10]
- de kennisgeving van inbeslagneming van 28 februari 2019; [11]
- het rapport van het NFI van 26 april 2019; [12]
- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2019. [13]
3.3.5
Bezitten hasj en hennep (feit 3 in de zaak 03.040244.20)
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 februari 2019 12,5 gram hasj en 0,5 gram hennep aanwezig heeft gehad. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin Sv, omdat de verdachte het feit tijdens het verhoor bij de politie duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.
- het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2019; [14]
- de kennisgeving van inbeslagneming van 25 april 2019; [15]
- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2019. [16]
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
In de zaak 03.028638.19 feit 1 primair:
op 11 oktober 2018 te Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te duwen waardoor hij ten val is gekomen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
In de zaak 03.196741.19:
op 15 augustus 2019 te Roermond, een auto (Audi SQ5 voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
In de zaak 03.040244.20 feit 2:
op 27 februari 2019 in de gemeente Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad 12,5 gram cocaïne en 4,6 gram heroïne, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
In de zaak 03.040244.20 feit 3:
op 27 februari 2019 in de gemeente Heerlen aanwezig heeft gehad 12,5 gram hasjiesj en 0,5 gram hennep, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
In de zaak 03.028638.19 feit 1 primair:
mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;
In de zaak 03.196741.19:
opzetheling;
In de zaak 03.040244.20 feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
In de zaak 03.040244.20 feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van 7 dagen met aftrek van het voorarrest (van 7 dagen).
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten zou komen, geschaard achter de eis van de officier van justitie gelet op de strafdoelen preventie en vergelding, maar ook rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte geleerd heeft van zijn detentie in Duitsland. Hij heeft in Duitsland zijn leven inmiddels verbeterd, het criminele circuit afgezworen en hij heeft daar een vaste baan.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van de heer [slachtoffer] , met de dood ten gevolge. De verdachte heeft het slachtoffer, die als beveiliger werkzaam was bij de [instelling 1] waar de verdachte op dat moment verbleef, geduwd omdat hij wilde wegrennen. Hij heeft het slachtoffer in hulpeloze toestand achter gelaten. Het slachtoffer werkte voor een zorginstelling en zette zich in voor het welzijn van medewerkers en patiënten in die instelling. Hoewel de verdachte nooit heeft gewild dat het slachtoffer zou komen te overlijden, is deze onnodige duw het slachtoffer wel fataal geworden. Hiermee heeft de verdachte het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, zijn leven, ontnomen. Namens de nabestaanden is op zitting op aangrijpende wijze gesproken over de gevolgen van het overlijden van de heer [slachtoffer] als partner en als vader. Aan alle nabestaanden is onherstelbaar leed toegebracht.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een Audi SQ5 met het doel om schulden die hij had bij anderen in te lossen. Dit betreft een ergerlijk feit, waarmee door de voorafgaande diefstal schade is veroorzaakt en overlast is bezorgd. Tevens heeft de verdachte verschillende soorten drugs in zijn bezit gehad, waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat drugs schade voor de gezondheid van gebruikers veroorzaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten, en dan met name de mishandeling van [slachtoffer] , in beginsel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn echter aanleiding om hiervan af te wijken. Daarbij stelt de rechtbank voorop de verdachte zijn leefgebieden heeft verbeterd nadat hij een lange detentie in Duitsland heeft ondergaan, hij nu een ander leven leidt dan tijdens het plegen van de feiten en hij zijn oude, criminele leven heeft afgezworen. De rechtbank acht een nieuwe detentieperiode daarom niet wenselijk omdat dit zal leiden tot verlies van de zaken die hij in Duitsland heeft opgebouwd en nog aan het opbouwen is. Bovendien houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn van berechting in deze zaak is overschreden, en dit niet (geheel) is toe te rekenen aan de verdachte. Het feit ten aanzien van de heer [slachtoffer] heeft zich voorgedaan in 2018; dat is ruim 7,5 jaar geleden. Hoewel tijdsverloop niets aan de ernst van het feit en de consequenties die het heeft gehad (en nog steeds heeft voor de nabestaanden) afdoet, is dit wel een omstandigheid die de rechtbank meeweegt bij het bepalen van de straf. Immers, de overschrijding van de redelijke termijn is ruim 4 jaar en deze overschrijding is niet geheel aan de verdachte toe te rekenen. Gelet hierop, en alle andere hiervoor genoemde omstandigheden, acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur in deze zaak niet meer opportuun.
Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 173 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 240 uur opleggen, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Voor de overtreding die onder feit 3 in de zaak 03.040244.20 bewezen is verklaard, zal de rechtbank, gelet op de geringe ernst van deze overtreding in het licht van de bewezenverklaarde misdrijven, toepassing geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, en derhalve geen straf of maatregel opleggen.
De rechtbank zal tot slot een tenuitvoerleggingsadvies als bedoeld in artikel 6:1:1 Sv Pro geven, inhoudende dat de opgelegde taakstraf en het toezicht wordt overgedragen naar de Duitse reclassering zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 22 december 2023, nu de verdachte daar al onder toezicht staat en hij momenteel ook in Duitsland woont.

7.Het beslag

Onder de verdachte is in beslag genomen in de zaak 03.040244.20:
- 25 EUR (IBN28-02-2019, goednummer PL2300-2019031259-1171591)
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het geld dient te woorden teruggegeven aan de beslagene, zijnde de verdachte.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 1 in de zaak 03.040244.20;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van
Taakstraf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Geen straf of maatregel
-
geeftvoor feit 3 in de zaak 03.040244.20 toepassing aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepaalt dat daarvoor geen straf of maatregel wordt opgelegd;
Beslag
-
gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerp in de zaak 03.040244.20 aan de verdachte:
25 EUR (IBN28-02-2019, goednummer PL2300-2019031259-1171591);

Advies omtrent de tenuitvoerlegging

-
adviseertOnze Minister om de taakstraf en het toezicht over te dragen aan de Duitse reclassering nu de veroordeelde daar al onder toezicht staat en in Duitsland woonachtig is.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. C.J.M. Brands en
mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.R.G. Rebergen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. 03-028638-19 primair:
hij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te duwen waardoor hij ten val is gekomen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
T.a.v. 03-028638-19 subsidiair:
hij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Heerlen [slachtoffer] heeft mishandeld
door die [slachtoffer] te duwen waardoor hij ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar
lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup ten gevolge heeft gehad;
T.a.v. 03-196741-19:
hij op of omstreeks 15 augustus 2019 te Roermond, althans in Nederland, een auto (Audi SQ5 voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
T.a.v. 03-040244-20 feit 1:
hij op of omstreeks 27 februari 2019 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. 03-040244-20 feit 2:
hij op of omstreeks 27 februari 2019 in de gemeente Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 4,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. 03-040244-20 feit 3:
hij op of omstreeks 27 februari 2019 in de gemeente Heerlen aanwezig heeft gehad ongeveer 12,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 0,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300- 2018155621 gesloten op 18 januari 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 24.
2.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 13 oktober 2018, pg. 3-4.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [instelling 1] 308010 van 8 november 2018, pg. 5-7.
4.Proces-verbaal van bevindingen: aanvullend PV van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2020062240-2, gesloten op 23 april 2020.
5.Proces-verbaal Toestemmingsverklaring verwerving medische gegevens van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2018155621, opgemaakt op 30 mei 2019.
6.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Landelijke Eenheid, Dienst Infrastructuur, dossiernummer PL2300-2019128059, gesloten op 30 oktober 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 67.
7.Proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2019, pg. 12-14.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 augustus 2019, pg. 47-50.
9.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2019031259, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 137.
10.Proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2019, pg. 1-3.
11.Kennisgeving van inbeslagneming van 28 februari 2019, pg. 90-92.
12.Rapport van het NFI van 26 april 2019, pg. 88-89.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2019, pg. 77-80.
14.Proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2019, pg. 81.
15.Kennisgeving van inbeslagneming van 25 april 2019, pg. 96-97.
16.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2019, pg. 77-80.