9.3.Uit artikel 16.7.3 van het omgevingsplan volgt dat het ophogen als bedoeld onder artikel 16.7.1 (a) van het omgevingsplan slechts toelaatbaar is, indien:
a. door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij
indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, natuurlijke en/of archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast dan de mogelijkheden voor het herstel van deze waarden niet wezenlijk worden verkleind;
er geen onevenredige overlast voor derden ontstaat.
10. Verweerder komt bij de beslissing, om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet daarbij alle relevante betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de gronden van verzoekers of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht.
11. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd aangegeven dat en waarom de bestaande landschappelijke, natuurlijke en archeologische waarden door de verplaatsing van het talud niet onevenredig worden aangetast. Relevant is dat het bestaande talud (het hoogst gelegen gedeelte ligt aan de zijde van de [adres] ) niet wordt opgehoogd maar dat dit richting de percelen van verzoekers wordt doorgetrokken (de laagte wordt deels aangevuld). De nieuwe insteek van het talud sluit eveneens aan op het bestaande maaiveld. De verplaatsing van het talud naar de achterzijde van de te bouwen woningen is noodzakelijk om aan de eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving voor nieuwbouw ten aanzien van bereikbaarheid en toegankelijkheid te voldoen.Verweerder vindt dat verzoekers niet concreet hebben aangegeven waarom zijn standpunt dat genoemde waarden door de ophoging niet onevenredig worden aangetast onjuist is of op onjuiste gegevens is gebaseerd.
Inbreuk op privacy / verlies van uitzicht
12. Ten aanzien van het bezwaar dat verzoekers maken tegen de hoogte van de woningen (inbreuk op privacy / verlies van uitzicht) volgt de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat het omgevingsplan het bouwen ter plaatse toelaat nu (ter zitting) is komen vast te staan dat dat niet gebeurt daar waar de functieaanduiding ‘Tuin’ geldt en aansluit bij het peil (hoogte talud) aan de [adres] . De hierna te beoordelen aanlegvergunning is juist bedoeld om (vanuit de bouwtechnische kant gezien) te schuiven met het talud door ophoging van de percelen aan de achterzijde om qua peil aan te sluiten aan de te realiseren bebouwing.
13. Verzoekers hebben in dit verband onder meer aangevoerd dat uit het Infiltratieadvies dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, kan worden afgeleid dat de infiltratievoorziening onvoldoende is om al het hemelwater van het bouwperceel op te vangen.
14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat infiltratievoorziening voldoet en dat de ophoging geen invloed heeft op de bij verzoekers bestaande wateroverlast. Door de verschuiving komt het talud in de nieuwe situatie iets dichter bij de percelen van verzoekers te liggen. Daardoor zal geen wezenlijke wijziging optreden in afstroming van water richting de percelen van verzoekers zodat geen sprake is van onevenredige overlast als gevolg van de ophoging, aldus verweerder.
15. Ten aanzien van de door verzoekers gestelde mogelijke toename van de bij hun woningen bestaande wateroverlast bij (hevige) regenval, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Dat doet hij mede op basis van de ter zitting met partijen bekeken tekening (die tot de gedingstukken behoort) van de ophoging van de gronden. Niet in geschil is dat het hoogst gelegen gedeelte van het talud tot (op bepaalde plekken) zo’n 6 meter in de richting van de percelen van verzoekers wordt doorgetrokken / aangevuld om te voorkomen dat er achter de te bouwen woningen een ‘gat’ ontstaat.
16. De voorzieningenrechter stelt vast dat het Infiltratieadvies van Geonius van
17 juli 2025 is opgesteld om voor de nieuwbouw aan de ‘Verordening afvoer hemel- en grondwater 2022’ van de gemeente Gulpen-Wittem (hierna: de Verordening) te kunnen voldoen. De infiltratievoorziening is vereist om de woningen waterneutraal conform de eisen van het Waterschap Limburg aan te kunnen leggen. De eisen van het Waterschap Limburg zijn in de Verordening vastgelegd. Uit het Infiltratieadvies blijkt dat ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een aflopend maaiveld in noordelijke richting waarmee bij het advies rekening is gehouden. Om aan de Verordening te voldoen is de door de deskundige voorgestelde infiltratievoorziening dan ook aan de voorkant van de geplande woningen voorzien. Uit de toelichting van verweerder blijkt verder dat in de bestaande situatie geen sprake is van wateroverlast ter plaatse van het nieuwe bouwplan. Verweerder heeft wel onderkend dat in de tuinen van de woningen van verzoekers in de bestaande situatie bij extreme regenval wateroverlast optreedt. Er is ter plaatse van hun woningen een ‘kommetje’ aanwezig. Het regenwater kan zich in hun tuinen verzamelen omdat het water niet goed weg kan tussen de woningen door. De stresstestkaart van het Waterschap Limburg laat ook zien dat de tuinen van verzoekers lager liggen dan de omgeving. Door de interne deskundige van verweerder is aangegeven dat dit bestaande probleem zou kunnen worden verholpen door een verbinding te maken met het in de [adres] aanwezige riool. Dat staat echter los van het onderhavige bouwplan en de verhoging van het talud aan de achterkant van de geplande woningen. Verweerder heeft verder toegelicht dat in dit geval, gelet op het gebied waar de ophoging plaatsvindt geen separaat advies van het Waterschap nodig is. Alleen wanneer nieuwbouwplannen in beschermingszones van het Waterschap Limburg liggen wordt een afzonderlijk advies gevraagd. Wel worden alle plannen, waaronder het onderhavige, in het regulier overleg met het Waterschap Limburg besproken.
17. Gelet op de door verweerder gegeven onderbouwing, zoals nader toegelicht ter zitting, geeft hetgeen verzoekers in dit verband hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat door de ophoging van het talud in combinatie met de bouw van de woningen en de verharding van het bouwperceel, onevenredige wateroverlast voor verzoekers ontstaat. Gelet op het belang bij de woningbouw en het belang van vergunninghoudster die aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving moet voldoen, heeft verweerder de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt (dat onderdeel van) het bestreden besluit een gerede kans in de hoofdzaak (besluit op bezwaar) in stand te blijven. Zoals op zitting besproken neemt dit niet weg dat de aanhangige procedure kan worden gebruikt om de begrijpelijke vrees voor extra wateroverlast bij verzoekers weg te nemen en - maar dat gaat buiten deze procedure om - te bespreken hoe de bestaande wateroverlast (bij extreme regenval) in hun tuinen kan worden opgelost.
18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een vergoeding van griffierecht of proceskosten bestaat geen aanleiding.