ECLI:NL:RBLIM:2026:1540

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/03/340154 / HA ZA 25-120
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 lid 1 BWArt. 2:35 BWArt. 2:37 BWArt. 2:8 BWArt. 2:15 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid sanctiebesluit Commissie van Beroep wegens gebrek aan statutaire bevoegdheid

De eiser, lid van een vereniging, werd door het bestuur ontzet uit het lidmaatschap vanwege grensoverschrijdend gedrag. De Commissie van Beroep vernietigde dit besluit en legde een schorsing op. De eiser stelde dat zowel het bestuursbesluit als het besluit van de Commissie van Beroep nietig zijn.

De rechtbank oordeelde dat het bestuur rechtsgeldig was gekozen en dat het besluit tot ontzetting niet nietig was. Vervolgens stelde de rechtbank vast dat de Commissie van Beroep geen statutaire bevoegdheid had om een sanctie op te leggen, maar slechts het bestuursbesluit kon vernietigen of in stand laten. Daarom was het sanctiebesluit van de Commissie van Beroep nietig op grond van artikel 2:14 lid 1 BW Pro.

De vordering tot rectificatie werd afgewezen wegens onbepaaldheid. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis werd gewezen door rechter I.M. Etman en op 18 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het besluit van de Commissie van Beroep tot oplegging van een sanctie is nietig verklaard wegens gebrek aan statutaire bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/340154 / HA ZA 25-120
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch,
tegen
[ gedaagde partij],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [ gedaagde partij] ,
advocaat: mr. L.H.J. Somers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen 1 tot en met 54,
- de conclusie van antwoord met bijlagen 1 tot en met 33,
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling,
- de bijlagen 55 tot en met 73 van [eisende partij] ,
- de akte met bijlagen 34 tot en met 39 van [ gedaagde partij] ,
- de akte met bijlage 40 van [ gedaagde partij] ,
- de bijlagen 74 en 75 van [eisende partij] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025,
- de spreekaantekeningen van partijen,
- de reactie van [ gedaagde partij] op het proces-verbaal van 4 november 2025,
- de brief van de rechtbank van 13 november 2025 aan [ gedaagde partij] met als inhoud dat het proces-verbaal niet zal worden aangepast en de reactie van 4 november 2025 zal worden toegevoegd aan het dossier.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is lid van vereniging [ gedaagde partij] .
2.2.
Op 23 september 2024 heeft de algemene ledenvergadering van [ gedaagde partij] nieuwe bestuursleden gekozen. Binnen [ gedaagde partij] is vervolgens discussie ontstaan of de wijze waarop de stemming heeft plaatsgevonden, toegestaan was volgens de statuten. [eisende partij] behoort tot een groep van leden die van mening is dat het nieuwe bestuur niet rechtsgeldig is gekozen. [eisende partij] heeft aan het nieuwe bestuur uiting gegeven aan zijn ongenoegen hierover.
2.3.
Op 19 november 2024 heeft het bestuur van [ gedaagde partij] aan [eisende partij] een schriftelijke aanzegging gestuurd van zijn voornemen hem te ontzetten uit het lidmaatschap van [ gedaagde partij] . Als reden voor dit voornemen is, kort gezegd, genoemd het voortdurende grensoverschrijdende gedrag en de respectloze communicatie van [eisende partij] sinds 2022, waarbij ernstige schade is toegebracht aan de sfeer en de bedrijfsvoering in de vereniging. Dit gedrag is volgens het bestuur in strijd met de statuten en het huishoudelijk reglement. Het bestuur van [ gedaagde partij] heeft [eisende partij] uitgenodigd voor een overleg in het kader van hoor en wederhoor op 20 of 21 november 2024.
2.4.
[eisende partij] heeft [ gedaagde partij] op 20 november 2024 laten weten de voorbereidingstijd voor het gesprek te kort te achten.
2.5.
Diezelfde dag heeft het bestuur van [ gedaagde partij] besloten [eisende partij] per direct te ontzetten uit het lidmaatschap. In de formele kennisgeving van dit besluit is vermeld dat [eisende partij] binnen een maand na ontvangst van het besluit schriftelijk beroep kan aantekenen bij de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] .
2.6.
[eisende partij] heeft op 9 december 2024 beroep ingesteld bij deze Commissie van Beroep. Na een hoorzitting op 11 januari 2025 heeft de Commissie van Beroep op
20 januari 2025 het bestuursbesluit van 20 november 2024 vernietigd en als nieuwe beslissing [eisende partij] geschorst voor de duur van 24 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, onder de bijzondere voorwaarde dat [eisende partij] zich in 2025 en 2026 tot
20 november 2026 zal onthouden van iedere bemoeienis met het beleid van het bestuur, commissieleden en andere vrijwilligers, zowel verbaal als in mail of ander geschrift. Verder heeft de Commissie van Beroep bepaald dat [eisende partij] op 20 mei 2025 weer wordt toegelaten tot het complex van de golfbaan van [ gedaagde partij] .

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I
Primair:voor recht verklaart dat het besluit van het bestuur van [ gedaagde partij] genomen in de vergadering van 20 november 2024 tot ontzetting van het lidmaatschap van [ gedaagde partij] van [eisende partij] nietig is ex artikel 2:14 BW Pro en dat bijgevolg het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2024 ook nietig is op grond van artikel 2:14 BW Pro;
Subsidiair:
voor recht verklaart dat het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van 20 januari 2025 nietig is op grond van artikel 2:14 BW Pro;
Meer subsidiair:
het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] van
20 januari 2025 op grond van artikel 2:15 lid 1 jo Pro. artikel 2:8 jo Pro. artikel 2:15 lid 3 BW Pro vernietigt voor zover in dit besluit een sanctie aan [eisende partij] is opgelegd.
II [ gedaagde partij] veroordeelt tot het plaatsen van een rectificatie in de eerstvolgende [naam nieuwsbrief] nieuwsbrief van [ gedaagde partij] ;
III [ gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de proceskosten en nakosten.
3.2.
[ gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De zaak in het kort
4.1.
Het bestuur van [ gedaagde partij] heeft op 20 november 2024 besloten [eisende partij] te ontzetten uit het lidmaatschap van [ gedaagde partij] . [1] De Commissie van Beroep heeft op 20 januari 2025 dat besluit vernietigd en heeft in plaats van ontzetting een disciplinaire maatregel opgelegd aan [eisende partij] . [2]
4.2.
[eisende partij] is van mening dat het besluit van het bestuur van [ gedaagde partij] en het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] nietig zijn.
Juridisch kader
Algemeen
4.3.
Op grond van de wet kan het lidmaatschap van een vereniging eindigen door ontzetting. [3] Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. [4] Ontzetting geschiedt door het bestuur, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen. [5] Het lid dat ontzet wordt, kan binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit beroep instellen bij de algemene ledenvergadering of een orgaan of derde die door de statuten is aangewezen. [6] Een commissie van beroep, die een statutaire grondslag heeft, en waarvan de beslissing partijen bindt, kan als orgaan worden aangemerkt. Voor zover de beslissing van de beroepsinstantie rechtsgevolg heeft, kan deze als besluit worden aangemerkt. De toetsing door de rechter zal steeds marginaal zijn. [7]
4.4.
De wet noemt schorsing als disciplinaire maatregel, die los kan staan van ontzetting, niet. Vanwege haar ingrijpende aard moet een schorsing een statutaire basis hebben om in redelijkheid te kunnen worden toegepast. Een voorwaardelijke schorsing is mogelijk. Schorsing mag slechts voor een beperkte periode worden opgelegd. [8]
Toegepast op deze zaak
4.5.
In de statuten van [ gedaagde partij] is bepaald dat ontzetting uitgesproken wordt door het bestuur namens de vereniging. [9] Tegen het besluit tot ontzetting kan het lid binnen een maand na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving beroep aan tekenen bij de Commissie van Beroep. [10]
4.6.
Het bestuur heeft volgens de statuten de bevoegdheid om schriftelijk sancties op te leggen aan leden wier gedrag, bij herhaling, indruist tegen de golfetiquette, bestuurs- en andere reglementen en bestuursbesluiten in het bijzonder en de waarden en normen zoals die gelden binnen de golfsport en de vereniging in het algemeen, maar waarvoor ontzetting uit het lidmaatschap niet van toepassing is. De statuten schrijven voor dat deze disciplinaire maatregelen kunnen behelzen: schorsing voor een periode van maximaal 6 maanden, ontzetting van een deel van de rechten (speelrecht, deelname aan wedstrijden, toegang tot clubhuis of de baan) voor een periode van maximaal 6 maanden, geldboete, berisping en waarschuwing. [11] Het betrokken lid heeft de mogelijkheid binnen een maand na de schriftelijke kennisgeving, tegen de disciplinaire maatregelen in beroep te gaan bij de Commissie van Beroep. [12]
4.7.
Ook het huishoudelijk reglement vermeldt dat leden die zich niet houden aan de statuten en dit reglement kunnen worden gestraft met een berisping, boete, ontzegging van een deel van de rechten, waarschuwing, schorsing, opzegging lidmaatschap en ontzetting lidmaatschap. [13]
4.8.
Het huishoudelijk reglement bevat een beschrijving van de werkwijze van de Commissie van Beroep en bepaalt over de uitspraak:
De uitspraak bevat:
een uitspraak over de al dan niet ontvankelijkheid,
een opsomming van relevante momenten van het onderzoek, zoals de gevoerde gesprekken van hoor en wederhoor,
de feiten zoals die door de commissie na het onderzoek en na het hoor en wederhoor zijn vastgesteld,
de overwegingen van de commissie die tot de uitspraak geleid hebben. [14]
De uitspraak van de commissie van beroep kan bevatten:
het in stand laten van het besluit van het bestuur,
de sanctie van het bestuur matigen, maar nooit verzwaren,
het besluit van het bestuur onjuist/ongeldig verklaren c.q. vernietigen. [15]
De primaire vordering onder I van [eisende partij]
Stemmen op groepen
4.9.
[eisende partij] is van mening dat het bestuur niet rechtsgeldig gekozen is op
23 september 2024, omdat er in strijd is gehandeld met de statuten. Tijdens de algemene ledenvergadering is er, ondanks dat [eisende partij] zich daartegen verzet heeft, bij de verkiezing van het nieuwe bestuur gestemd op groepen (groepjes leden die alleen als groep een bestuur willen vormen en niet individueel verkiesbaar zijn) in plaats van op individuele leden. Volgens [eisende partij] is die wijze van stemmen niet beschreven in artikel 9 lid 2 en Pro 4 en artikel 16 van Pro de statuten en daarom niet geldig. Het gevolg is dat het bestuur niet rechtsgeldig gekozen is, en daarmee is ieder besluit van het gekozen bestuur, ook het besluit tot ontzetting van hem als lid, nietig, aldus [eisende partij] .
4.10.
[ gedaagde partij] voert aan dat de wet en de statuten zich niet verzetten tegen het stemmen op groepen.
4.11.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2:37 BW Pro het bestuur benoemd wordt uit de leden en benoeming geschiedt door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders regelen. [16] In de statuten van [ gedaagde partij] is niet afgeweken van de hoofdregel in de wet. Bepaald is dat bestuursleden gekozen en benoemd worden door de algemene ledenvergadering uit door het bestuur en/of leden gestelde kandidaten, lid van de vereniging. [17] Stemmingen over personen geschieden volgens de statuten uitsluitend schriftelijk bij gesloten briefjes. [18] De wijze van kandidaatstelling van bestuursleden wordt nader geregeld in het huishoudelijk reglement. [19] Het huishoudelijk reglement bepaalt dat het bestuur zorgdraagt voor het stellen van een kandidaat ter vervanging van een aftredend bestuurslid. [20] Ook leden kunnen met inachtneming van bepaalde voorwaarden kandidaten voor het bestuur voordragen. [21]
4.12.
Gelet op wat bepaald is in artikel 2:37 BW Pro, de statuten en het huishoudelijk reglement van [ gedaagde partij] verwerpt de rechtbank het betoog van [eisende partij] dat tijdens de verkiezing van het bestuur niet op een groep leden gestemd mocht worden. Nergens is bepaald dat alleen gestemd mag worden op individuele leden en niet op een groepje leden dat kenbaar gemaakt heeft alleen als collectief het bestuur te willen vormen. Een stem op een groep leden staat gelijk aan het stemmen op alle individuele leden die deel uitmaken van dat groepje.
4.13.
De conclusie is dat de rechtbank de stelling van [eisende partij] verwerpt dat het bestuur niet rechtsgeldig gekozen is, omdat er tijdens de verkiezing van het nieuwe bestuur op
23 september 2024 op een groep leden is gestemd.
Termijn voordracht bestuur
4.14.
[eisende partij] is verder van mening dat het bestuur niet rechtsgeldig is gekozen, omdat het bestuur niet tenminste drie weken voor de algemene ledenvergadering kandidaten voor het bestuur voorgesteld heeft. Hij verwijst daarbij naar artikel 19 lid 4 van Pro het huishoudelijk reglement.
4.15.
[ gedaagde partij] wijst erop dat de termijn van drie weken, die genoemd is in artikel 19 lid 4 van Pro het huishoudelijk reglement, niet geldt voor het bestuur.
4.16.
De rechtbank verwerpt het betoog van [eisende partij] . Het huishoudelijk reglement legt in artikel 19 lid 4 aan Pro
ledendie kandidaten voor het bestuur willen voordragen de voorwaarde op dat kandidaatstelling tenminste drie weken voor de algemene ledenvergadering ter kennis gesteld moet worden aan het bestuur van [ gedaagde partij] . Het is zinledig als het bestuur aan zichzelf drie weken voor de algemene ledenvergadering kandidaten kenbaar moet maken.
Juniorleden en bedrijfsleden
4.17.
[eisende partij] is tot slot van mening dat het bestuur niet rechtsgeldig is gekozen, omdat juniorleden en bedrijfsleden in artikel 4 lid 10 van Pro de statuten uitgesloten zijn van stemrecht en dat is volgens hem in strijd met artikel 2:38 BW Pro.
4.18.
[ gedaagde partij] is het hiermee niet eens. Er is een verschil tussen leden en aangeslotenen, zoals juniorleden en bedrijfsleden. Aangeslotenen hebben geen stemrecht.
4.19.
De rechtbank overweegt dat de wet zich niet er tegen verzet dat een vereniging andere ‘aangeslotenen’ kent dan leden. Zij worden in de statuten vaak aangeduid als bijvoorbeeld juniorleden en buitenleden. Tussen de vereniging en de aangeslotenen bestaat een contractuele verhouding in plaats van een institutionele lidmaatschapsverhouding. De bepalingen uit Boek 2 BW omtrent lidmaatschap gelden niet voor deze betrekking. [22]
Artikel 4 lid 10 onder Pro a van de statuten bepaalt dat onder meer jeugdleden en bedrijfslidmaatschappen dezelfde rechten en verplichtingen hebben als in of krachtens de statuten aan leden zijn toegekend en opgelegd met dien verstande dat zij geen vergaderrecht of stemrecht hebben, met dien verstande dat zij wel door het bestuur uitgenodigd kunnen worden voor een ledenvergadering en daarbij het recht krijgen in deze vergadering het woord te voeren. Uit het voorgaande volgt dat het uitsluiten van juniorleden en bedrijfsleden van stemrecht in de statuten niet in strijd is met artikel 2:38 BW Pro.
Slotsom
4.20.
De slotsom is dat de rechtbank de argumenten verwerpt die [eisende partij] heeft aangedragen ter onderbouwing van zijn stelling dat het bestuur niet rechtsgeldig is verkozen, met als gevolg dat alle besluiten die het bestuur heeft genomen nietig zijn, waaronder het besluit tot zijn ontzetting als lid. De rechtbank zal de primaire vordering onder I daarom afwijzen.
De subsidiaire vordering onder I van [eisende partij]
4.21.
[eisende partij] stelt dat de Commissie van Beroep gelet op artikel 23 lid 12 van Pro het huishoudelijk reglement alleen het besluit van het bestuur van [ gedaagde partij] kan vernietigen, en niet daarnaast een sanctie kan opleggen.
4.22.
Volgens [ gedaagde partij] is de Commissie van Beroep wel bevoegd een sanctie op te leggen omdat artikel 23 lid 12 van Pro het huishoudelijk reglement spreekt over “kan bevatten”. Het is dus geen limitatieve opsomming.
4.23.
De rechtbank leidt uit artikel 10 van Pro de statuten [23] af dat alleen het bestuur de bevoegdheid heeft om een sanctie op te leggen aan leden, net zoals alleen het bestuur op grond van artikel 7 van Pro de statuten kan besluiten tot ontzetting van een lid. De statuten bepalen verder dat tegen de disciplinaire maatregel in beroep gegaan kan worden bij de Commissie van Beroep, net zoals tegen een ontzetting in beroep gegaan kan worden bij deze commissie. [24]
4.24.
In artikel 23 lid 12 van Pro het huishoudelijk reglement [25] leest de rechtbank niet dat de Commissie van Beroep in haar uitspraak zelfstandig een sanctie mag opleggen. De zinsnede “de uitspraak kan bevatten” van lid 12 van artikel 23 van Pro het huishoudelijk reglement moet afgezet worden tegen lid 11 van dit artikel [26] dat begint met “de uitspraak bevat”. Uit die dwingende omschrijving (“bevat”) volgt dat alle uitspraken van de Commissie van Beroep moeten ingaan op de ontvankelijkheid, de momenten van onderzoek/hoor en wederhoor, de vastgestelde feiten en de overwegingen die geleid hebben tot de uitspraak. Per zaak is het eindoordeel verschillend. Daarom geldt dat “de uitspraak kan bevatten”, afhankelijk de uitkomst van de betreffende zaak: het in stand laten van het besluit, het matigen van de sanctie van het bestuur en het ongeldig verklaren/vernietigen van het besluit van het bestuur. Die drie opties zijn naar het oordeel van de rechtbank de enige drie mogelijke uitkomsten van een beroep tegen een besluit van het bestuur van [ gedaagde partij] .
4.25.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Commissie van Beroep zonder daartoe statutair bevoegd te zijn een sanctie heeft opgelegd aan [eisende partij] . Het besluit van de Commissie van Beroep van 20 januari 2025 is, voor zover zij daarin een sanctie heeft opgenomen (onder “opnieuw beslissend” op pagina 4 van het besluit), daarom nietig op grond van artikel 2:14 lid 1 BW Pro.
De vordering onder II van [eisende partij]
4.26.
[eisende partij] heeft in de omschrijving van zijn vordering op pagina 30 van zijn dagvaarding geen tekstvoorstel geformuleerd voor een rectificatie in de nieuwbrief voor de leden van [ gedaagde partij] . De vordering tot het plaatsen van een rectificatie is daarmee te onbepaald en zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.27.
Nu partijen over een weer deels in het (on)gelijk gesteld zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat het besluit van de Commissie van Beroep van [ gedaagde partij] , voor zover zij daarin een sanctie heeft opgenomen (onder “opnieuw beslissend” op pagina 4 van het besluit), nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW Pro;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
me

Voetnoten

1.Zie rov. 2.5
2.Zie rov. 2.6
3.Artikel 2:35 lid 1 onder Pro d BW
4.Artikel 2:35 lid 3 BW Pro
5.Artikel 2:35 lid 4 BW Pro
6.Artikel 2:35 lid 4 BW Pro
7.GS Rechtspersonen, art. 2:35 BW Pro, aant. 7
8.GS Rechtspersonen, art. 2:35 BW Pro, aant. 8
9.Artikel 7 lid 1 onder Pro d van de statuten
10.Artikel 7 lid 6 van Pro de statuten
11.Artikel 10 leden Pro 6 en 7 van de statuten
12.Artikel 10 lid 8 van Pro de statuten
13.Artikel 15 lid 6 van Pro het huishoudelijk reglement
14.Artikel 23 lid 11 van Pro het huishoudelijk reglement
15.Artikel 23 lid 12 van Pro het huishoudelijk reglement
16.Artikel 37 leden Pro 1 en 2 BW
17.Artikel 9 lid 2 van Pro de statuten
18.Artikel 16 lid 6 van Pro de statuten
19.Artikel 9 lid 4 van Pro de statuten
20.Artikel 19 lid 3 van Pro het huishoudelijk reglement
21.Artikel 19 lid 4 van Pro het huishoudelijk reglement
22.Asser/Rensen 2-III 2022/47
23.Zie rov. 4.6
24.Zie rov. 4.6
25.Zie rov. 4.8
26.Zie rov. 4.8